
Het verhaal van de magiërs uit het Oosten kunnen we lezen in Matteüs 2. Er staat dat de magiërs het kind geschenken aanboden: goud en wierook en mirre. Geschenken een koning waardig. Maar daarom waren de magiërs nog geen koningen. Hoe komt men er toe om die wijzen koningen te noemen?
Dat heeft te maken met de tekst uit Jesaja 60,3:
“Volken laten zich leiden door jouw licht,
koningen door de glans van je schijnsel.”
Jouw licht, de glans van je schijnsel, dat moet wel de ster zijn die de magiërs naar Betlehem wijst, en zo worden de magiërs koning. Daar past dan Psalm 72 naadloos bij:
En omdat het drie geschenken zijn die de magiërs geven, gaat men gemakshalve uit drie mannen, zonder dat het aantal magiers genoemd wordt. De fantasie slaat nog verder op hol als ze (waarschijnlijk in de zesde eeuw) ook drie Perzische namen krijgen: Caspar, Melchior en Balthasar. Er zijn ook Griekse namen voor dit drietal: Apellius, Amerius en Damascus of Hebreeuwse: Galgalat, Malgalat en Sarathin, maar die zijn vergeleken met de Perzische namen minder bekend.
Toch is een aantal van zes aannemelijker, als je weet hoe de evangelist Matteüs in zijn evangelie te werk gaat. In Jezus herhaalt zich de geschiedenis van Israël, zodat de kindermoord op bevel van koning Herodes, waaraan Jezus ontsnapt, trekken krijgt van het verhaal van de jongetjes die op bevel van de koning van Egypte in de Nijl, de doodsrivier, gegooid werden, waaraan Mozes ontsnapt, om maar een van de vele parallelle gebeurtenissen te noemen. En Jozef, die een droom krijgt – hebben we zoiets ook al niet in Genesis gelezen? Matteüs is als een schriftgeleerde die nieuw en oud bijeenbrengt (vlg. Mt. 13,52). Nieuw is dan “Het Koninkrijk van de hemel” en oud is “Wet en Profeten”, als term voor de Tenach of het Oude Testament. Soms wordt het oude expliciet ingeleid met woorden als “Zo moest in vervulling gaan…”, maar vaak ook niet, en moet je zelf het oude daarin terugvinden.
Voor het oud van de zes magiërs, die met hun geschenken uit het oosten komen, moeten we naar Genesis 25 terug. Daar lezen we dat Abraham nog zes zonen kreeg: Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Die zonen verdwijnen op een onbevredigende manier uit beeld met de woorden: ‘De zonen van zijn bijvrouwen gaf hij nog tijdens zijn leven geschenken, en hij stuurde hen weg naar (een land in) het Oosten, Kedem, ver bij zijn zoon Isaak vandaan.’ Een verhaal met een open eind en veel vraagtekens. In Matteüs 2 keren die zonen op magische wijze terug uit het Oosten, uit Kedem, als magiërs en ze hebben hun geschenken weer bij zich. Een verhaal met een knipoog!
Betekent dat nu dat het verhaal van de magiërs uit het oosten en de daaropvolgende verhaal van de kindermoord van Betlehem aan de fantasie van Matteüs is ontsproten? Temeer daar hij als enige evangelist deze gebeurtenissen noemt. Om bij het laatste te beginnen. Iedere evangelist schrijft zijn evangelie met een bepaald doel en met de voor hem beschikbare informatie maar laat ook weg wat in zijn doel met het evangelie niet relevant is.
Matteüs vertelt als enige dat de magiërs uit het oosten kwamen met geschenken, maar hij vertelt ook niet meer dan deze twee elementen, oosten en geschenken die Matteüs 2 verbinden met Genesis 25. Maar vanuit historisch onderzoek kunnen we inmiddels wel meer over de magiërs vertellen. Galilea en Juda lagen aan de oostgrens van het Romeinse Rijk, en werden geregeerd door de vazal-koning Herodes. In het oosten lag het grote Parthische Rijk, de opvolger van het Babylonische Rijk en het Rijk van de Perzen. Rome en Parthië waren aan elkaar gewaagd en beide hadden belang bij diplomatieke banden. De magiërs vormden een priesterlijke kaste, die betrokken was bij de Parthische koninklijke opvolging, en ze waren verbonden met de Chaldeeën, de astronomen. Ze maakten ook van deel van diplomatieke gezantschappen van de Parthen, in hun gesprekken met de Romeinse gezanten of machthebbers. Een ontmoeting van de magiërs met Herodes is dus niet zo vreemd en er zijn overeenkomsten met hun plaats in de maatschappij, zoals bij de koninklijke opvolging van de Parthische koningen en hun band met de astronomen, en de diplomatie van het Oosten met het Westen past uitstekend in het verhaal in Matteüs 2. Als Jezus geboren wordt in Betlehem, is Hij niet alleen de koning van de Joden, maar is Hij de vorst van de hele wereld, van Oost tot West. Zijn koninkrijk, dat niet van deze wereld is, staat open voor oost (de Parthen) en west (de Grieken en Romeinen), alsook voor Joden. Er is dus voldoende historische context voor dit verhaal en als we dan toch historisch juist willen zijn: de magiërs verplaatsten zich niet op kamelen maar op hun Parthische paarden.
Niek Schuman maakte een lied voor Epifanie, waar de drie thema’s van Epifanie (de magiërs uit het Oosten, de doop van Jezus in de Jordaan en de bruiloft te Kana) verbonden zijn met het verhaal van Genesis 25. Het lied is te zingen op de melodie van Psalm 87. Jan Pasveer maakte er een tegenstem bij. Hier kunt u een pdf downloaden van het lied met de muziek.

Afbeelding: Fries van zeven afbeeldingen bij het lied van Niek Schuman, gemaakt door Bernard Bos in 2020/21. Van links naar rechts 1. Moeder en zoon I – 2. De zonen van Ketura – 3. De wegzending – 4. De taal der sterren – 5. De aanbidding – 6. Moeder en zoon II – 7. De doop in de Jordaan & de bruiloft van Kana
1 Abraham zond zijn zonen naar het Oosten
de weg terug, bevolen aan het lot;
zij gingen met geschenken, maar geen God
geen woord of wet, geen Schrift om hen te troosten.
2 Toch leerden zij de taal der sterren lezen
totdat een eind kwam aan hun lange nacht,
de ster heeft hen in Betlehem gebracht:
de laatsten zullen hier de eersten wezen.
3 De ware Zoon van Abraham moet sterven
in de Jordaan, waarin de dood zich hult;
alle gerechtigheid wordt hier vervuld,
om zo het land de aarde te beërven.
4 Het water van de doop wordt wijn des Heren,
in Kana, waar Maria op het feest
gelooft dat Hij, de schenker van de Geest
hier uit het niets het leven weer doet keren.
5 O Jezus, Licht der wereld, volkenherder,
Gij die de sleutel zijt van Kanaän,
roep alle kinderen van Abraham
en help hen op hun lange wegen verder.
6 Gij, ster van Betlehem, Gij, wijn van Kana,
Gij die ons uitleidt door de Doodsrivier,
Gij die verschenen zijt, wees heden hier,
waar wij uw lof bezingen, halleluja!
Niek Schuman
Een kleine toelichting bij het lied.
“Abraham zond zijn zonen naar het oosten”, zie Genesis 25.
“De weg terug”, namelijk Abraham kwam zelf oorspronkelijk uit het Oosten.
Matteüs tekent Jezus als “de waren zoon van Abraham”. Hij begint zijn evangelie met “Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham” (Mt. 1,1) en van Zacheüs zegt Jezus “ook deze is een zoon van Abraham (Lc. 19,90.
“De laatste zullen de eerste wezen” komt o.a. uit de gelijkenis van de werkers in de wijngaard, zie ook (Mt. 19,30; Mc. 10,31 & Lc. 13,30).
“Alle gerechtigheid wordt hier vervuld” is de reactie van Jezus op Johannes de Doper, die aanvankelijk Jezus niet wilde dopen (Mt, 3,15). Johannes doopt met water en zegt dat Jezus doopt het met de Geest(Mt 3,11). Op de Paasdag blaast Hij op zijn leerlingen en zegt ‘Ontvang mijn Geest.”.
“Gij die verschenen zijt”: Het is een lied voor Epifanie, dat is in het liturgisch jaar de periode die begint op 6 januari, en het betekent “verschijning’. Degene die verschijnt is Jezus en het markeert zijn tijd op aarde. Paulus spreekt over “allen die de verschijning van Jezus hebben liefgehad” (2 Tim. 4,8, NBV51).