In deze bijdrage over liturgie en rituelen in de Dominicusgemeente begin ik bij het begin: hoe kleine groepjes van joodse en al gauw ook van niet-joodse huize hun geloof in Israëls God en hun gedachtenis van Jezus als de Rechtvaardige gestalte hebben gegeven. Naar mijn overtuiging dient elke meer of minder experimentele vorm van liturgieviering zich aan die oorsprong te spiegelen, hoe vrij zij verder ook mag zijn in de uitwerking daarvan.

Daarna probeer ik een indruk te geven van de wijze waarop een eigentijdse, zeer oecumenisch ingestelde gemeente als die van de Dominicuskerk vormen zoekt om dit tot uitdrukking te brengen. Ook deze geloofsgemeenschap is natuurlijk niet bij nul begonnen. Ze pretendeert dat ook niet, zo min als zij pretendeert dat het zó en niet anders zou moeten gaan.

Tenslotte maak ik een enkele opmerking over de kracht van de metaforiek die aan de praktijk van uitleg, uitdeling en diverse rituelen ten grondslag ligt.

 

1. Uitleg en uitdeling

Emmaüsgangers: onderweg

Zij legden uit wat onderweg gebeurd was
en hoe hij zich in de broodbreking kenbaar gemaakt had.
(Lucas 24:35)

Het gegeven zal wel bekend zijn. De evangelist Lucas, nummer drie in de rij, biedt zijn evangelie aan als een reisverhaal, vol beweging en bewogenheid. Jezus en zijn volgelingen, de kleinere kring en de grotere schare, zijn bij hem voortdurend op weg. Bij allerlei belangrijke momenten zegt Lucas er vaak bij: dit gebeurde daar en daar, onderweg naar die of die plaats. Ook als hij woorden van Jezus doorgeeft, schrijft hij diverse keren: Jezus keerde zich om en zei het volgende. Zo krijgt het evangelie van Lucas het karakter van een reisverhaal, tot aam het einde ervan in Jeruzalem en tempel (Lucas 24:52 en 53). In zijn tweede boek, over de handelingen der apostelen, laat hij die beweging met des te meer vaart verder gaan. Dan vervolgt hij het reisverhaal tot in het politieke hart van de toenmalige wereld: Rome (Handelingen 28:11-31).

Dit zelfde vormprincipe markeert het verhaal van de Emmaüsgangers (Lucas 24:13-35). Ook die twee zijn onderweg, op de derde dag na de dood van Jezus. Deze voegt zich bij hen en verklaart hun het geheim van de messiaanse weg, te beginnen bij Mozes en al de profeten. Dan wil hij alleen verder gaan, maar laat zich op hun aandringen (‘Blijf bij ons!’) overhalen om met hen de maaltijd te gebruiken. Op dat moment wordt hij de gastheer, die het brood voor hen breekt en het hun toereikt. Het is dat gebaar dat bij hen de herkenning doet doorbreken: ‘Hun ogen werden geopend’. De metgezel gaat daarna weer zijn eigen weg. Op hun beurt staan de Emmaüsgangers op om naar Jeruzalem te gaan. Daar leggen zij uit wat er onderweg gebeurd is en delen daar hun eigen verhaal met anderen, die op hun beurt ook wel het een en ander te melden hebben.

Elke overweging bij liturgie en ritueel begint wat mij betreft steeds weer bij dat subtiele verhaal over de Emmaüsgangers. Eén van de subtiliteiten bestaat hierin: eerst verklaart Jezus als metgezel de messiaanse weg vanuit de Schriften en het actuele vervolg daarop; de ‘hermeneuse’ noemt Lucas dat. Op hun beurt leggen de twee reisgenoten aan de anderen de betekenis daarvan uit; ‘exegese’ heet het nu (vers 27, 32 en 35). Het eerste kan om zo te zeggen niet even met een natte vinger worden gedaan; dat vereist grondige bestudering. Maar daar moet het niet bij blijven. Er is ook nadere uitleg nodig, ontvouwing van een betekenis die in de diversiteit van tijden en plaatsen steeds weer anders zal zijn. Die bovendien, zo wil dit verhaal het althans, bezegeld wordt met het breken van het brood.

 

Grondstructuur

We weten dat dit tweetal, uitleg en uitdeling, inderdaad de grondstructuur heeft gevormd van de vroegchristelijke bijeenkomsten op zondag. Maar dat was ook weer niet het enige. Er waren – ook dat in aansluiting bij de joodse traditie – de getijdendiensten in de morgen, de avond en vermoedelijk ook in de nacht, dat laatste zeker als ‘nachtwake’ van de grote feesten. Het is niet de bedoeling van dit stuk daarop nader in te gaan. Wel is het goed om te beseffen dat er naast het genoemde al in een zeer vroeg stadium ook bijeenkomsten met een specifiek karakter werden gehouden: echte woorddiensten, waarin de uitleg van Mozes en de profeten, en nu ook die van evangelisten en apostelen centraal stond.

Het is niet zo gemakkelijk om een duidelijk beeld te krijgen van wat er nu wel en wat er niet gebeurde in deze woorddiensten. Nog wat meer toegespitst: wat werd er nu precies gelezen uit wat ‘Oude en Nieuwe Testament’ is gaan heten? Het lijkt in elk geval wel zeker dat in deze speciale bijeenkomsten – die vaak op doordeweekse dagen werden gehouden – lezingen uit het Oude Testament een centrale plaats innamen. Dit gebeurde met name in de veertigdagentijd vóór Pasen. (Dat is extra interessant tegen de achtergrond van het verhaal over de Emmaüsgangers. De verklaring die daar van de messiaanse weg wordt gegeven legt er immers de nadruk op dat die weg door het lijden heen ‘moest’ gaan, Lucas 24:26.) Anderzijds werd in de zondagse vieringen, dus die waarin ook het brood werd gebroken, vooral of uitsluitend uit het Nieuwe Testament gelezen.

 

Uitleg en uitdeling

Welke zin heeft het nu om dit stukje liturgiegeschiedenis op te halen in een bijdrage over vijftig jaar Dominicusgemeente? Het antwoord is niet verrassend. Ik zie de zondagse vieringen als het hart van die gemeente. Zeker, er is meer en er móet ook meer zijn, maar zonder dat hart klopt al dat andere niet echt. Als er ooit sprake geweest is van snelle veranderingen in de tijdgeest, dan wel nu. We hebben sprongen genomen van premodern naar vroeg en laat modern en haasten ons nu naar nieuwe vormen van postmodern. Van alles moet steeds weer anders, als we daar zin in hebben (‘Jij maakt de dienst uit!’) Dit is niet anders, en we hebben er mee te rekenen als we ons zelf en nieuwe generaties serieus willen nemen. Toch is het ook goed om de nodige relativering in acht te nemen. Wat de liturgie betreft betekent dit voor mij: er kan van alles worden uitgeprobeerd, er kan naar hartenlust worden geëxperimenteerd. Maar laten we niet doen alsof we zelf hebben uitgevonden waar het nu eigenlijk om gaat. De messiaanse weg, te beginnen bij Mozes en de profeten, vol pijn, maar nog meer vol verwachting van licht en luister, wordt al duizenden jaren begaan, beoefend en bezongen – het zelfde steeds anders. Dus gaat het er naar mijn overtuiging ook voor de nu vijftigjarige Dominicusgemeente om, of haar vieringen nog een herkenbare weerspiegeling zijn van wat aan de oorsprong heeft gestaan van de weg van de messiaanse gemeente. Mijn antwoord is een volmondig ‘ja’.

De twee brandpunten, woord en teken, uitleg en uitdeling staan inderdaad nog altijd centraal. Aan beide wordt in de voorbereiding, ruim tevoren, veel aandacht besteed, niet alleen door de dienstdoende predikant en liturg (er zijn buiten de vakantietijd minimaal twee voorgangers in elke dienst), ook door het liturgisch team als geheel. De voorbereiding van de vieringen is een voornaam onderdeel van de wekelijkse teamvergadering.

 

Woord en woorden

In de woorddienst kan de keuze aan thema’s breed uitwaaieren. Leesroosters zoals die in de meer reguliere katholieke en protestantse kerken verplicht of vrijwillig worden gebruikt, spelen daarbij geen grote rol. Er zijn wel, vooral in advent- of veertigdagentijd, series die daar dichtbij komen. Maar arrangementen van een bepaalde psalm van de zondag, het zondagsgebed, de lezingen uit de bijbel (en mogelijk ook van daarbuiten) die de thematiek nader inkleuren, en dan ook nog bepaalde liederen die als een poëtisch commentaar op dat geheel afgestemd zijn, komen niet echt aan de orde. Wat nog niet is, kan nog komen. Daar hoop ik dan maar op, want naar mijn smaak zijn er juweeltjes onder die arrangementen die het zeker verdienen om juist in een vrije, experimentele ruimte als die van de Dominicusgemeente een bijzondere glans te krijgen.

Aan de andere kant komen Mozes en de profeten, evangelisten en apostelen wel degelijk aan de orde, vaak in een serie met een soort ‘lectio continua’. Dan kan een brief van Paulus zoals die aan de Efeziërs hoofdstuk voor hoofdstuk gelezen en overdacht worden. De Tien Woorden klinken stuk voor stuk en ze effenen een pad voor een gemeente die voetje voor voetje haar weg zoekt in de wildernis van haar eigen dagen. Eén van de zo geheten kleine profeten mag zich nu eens helemaal uitspreken en oproepen tot dienstbetoon aan gerechtigheid en recht. Of het is juist een wijsheidsleraar als Sirach of de Prediker die een aantal zondagen lang het woord krijgt, om op zijn geheel eigen wijze een ordening te bepleiten die oriëntatie biedt in een chaotische wereld. Enzovoort en zo veel meer. Nu ik de stapel met vele tientallen programmatische folders van eerdere jaren nog eens doorneem, begrijp ik om zo te zeggen niet dat de wereld er nog niet al heel lang heel anders uitziet. Want dit is dan toch maar allemaal gezegd, gehoord, uitgelegd en bezongen…

Daarnaast zijn er – in een latere fase van deze gemeente meer dan in de eerste jaren, toen een destijds nieuwere vorm van ‘bijbelse theologie’ voorop stond – ook diverse series aangeboden waarin uiteenlopende bijbelpassages onder één thematische noemer gebracht zijn. Dat kan variëren van ‘Geloof en wetenschap’ via ‘De weg van het gebed’ tot ‘In de spiegel van de dood’ (over de eindigheid van het menselijk bestaan) of  kortweg ‘Stilte’. Aan de hand van het seriethema zelf wordt dan gezocht naar ‘passende’ bijbelgedeelten. Dat laatste heeft altijd iets willekeurigs (een tekst of verhaal ergens bij zoeken, ‘op de klank af’); aan de andere kant: dat gebeurt in feite ook volop bij allerlei leesroosters die zich richten naar de tijd van het jaar.

In alle gevallen, dus zowel bij het eerste type dienstenserie als bij het tweede, is de veelstemmigheid vaak groot, de omgang met de bijbel heel divers. Dat is het gevolg van de bewust nagestreefde afwisseling van predikanten. De teamleden zelf, maar ook diverse gastpredikanten dragen in deze series het hunne bij. Dit betekent dat niet alleen de keuze aan thema’s breed kan uitwaaieren, maar ook de aard, inhoud en ‘soortelijk gewicht’ van de bijdragen aan een dergelijke serie. Ik geef het voorbeeld van een reeks over ‘dromen en vergezichten’, op zeven zondagen rondom Pinksteren, getiteld ‘Als de hemel de aarde raakt’. (Dit stond ook in grote letters geschreven op het versierde wanddoek aan de achterkant van het podium, de centrale plaats waarop alles gebeurt: van het welkom, via lezing, preek, broodbreking en gebeden, tot de zegening toe.) In elke dienst nu van de bedoelde serie trad een andere predikant op, elk met eigen accenten en op eigen theologische toonhoogte.

  • ‘Dromen tussen heimwee en verlangen’; lezing van Psalm 126.
  • ‘Dromen als messiaans schouwspel bij de doop’; lezing van Marcus 1:9-11.
  • ‘Dromen die in beweging zetten’; lezingen van Joël 3 en Handelingen 2:14-22.
  • ‘Een droombeeld uitgelegd’; lezing van Daniël 2.
  • ‘Dromen als profetische humor’; lezing van Jesaja 11:1-10.
  • ‘Droomgestalte als aanklacht’; lezing van 2 Samuël 21:1-14.
  • ‘Dromen van geborgenheid’; lezing van Psalm 131.

Voor de duidelijkheid wijs ik er nog op, dat ik het woordje ‘predikant’ hier in de eigenlijke zin gebruik, dus niet als ambtelijke aanduiding. Het merendeel van de predikanten in de Dominicuskerk is weliswaar theologisch geschoold, maar ook anderen kunnen ‘optreden’. Dit gebeurt met name bij series over thema’s van maatschappelijke aard.

Tenslotte, ik heb al aangegeven dat er in de Dominicusgemeente als geheel meer gebeurt dan alleen de zondagse vieringen. Vanuit dit ‘hart’ lopen heel wat vertakkingen in de vorm van doordeweekse activiteiten van allerlei aard. In het kader van wat hier nu aan de orde is noem ik alleen die bijeenkomsten, in elk winterseizoen wel enkele keren gehouden, die als vervolg gelden van deze of gene serie diensten. Ze zijn bedoeld om op een bepaald thema wat dieper in te gaan en ook om dat meer breedte te geven door de inbreng (ook kritische!) van de deelnemers. Het gaat dus om meer dan om datgene wat her en der wel wordt aangeduid als ‘leerhuis’. (Dat is trouwens een groot woord, dat niet altijd op zijn plaats is, behalve als men echt ervoor komt om ‘lessen’ te volgen).

Brood en wijn

Dit alles ging over de woorddienst, in de meeste protestantse kerken nog altijd de dienst, alle liturgische vernieuwingen ten spijt en de weinige uitzonderingen daargelaten. In de Dominicuskerk daarentegen is het nagenoeg ondenkbaar om de uitleg, in alle geschetste veelvormigheid en veelstemmigheid, niet te laten volgen door de tafeldienst, met de uitdeling van brood en wijn. En met reden: ik zie de Emmaüsgangers alleen maar ja knikken. Want na alles wat gehoord is, moeten nu nog de ogen nog worden geopend!

Dus is nu de beurt aan de ‘voorganger’. Net zo min als bij ‘de predikant’ moet men ook hier niet aan een ambtelijk gewijd persoon denken. Het is wel duidelijk dat juist op dat punt de liturgische vernieuwing, waar de Dominicusgemeente in haar vijftigjarige bestaan voor gestaan heeft en nog steeds staan wil, het meest zichtbaar is geworden. Doorgaans is het één van de leden van het liturgisch team dat de tafeldienst leidt. Zij of hij wordt geflankeerd door voorlezer, predikant en enkele anderen uit de gemeente, om voor te gaan in de tafeldienst. De kinderen, voor en met wie al kinderdienst is gehouden, hebben grote manden met matzes, de bekers en de grote kan met wijn op tafel gezet, het orgel of de vleugel wordt bespeeld, het koor staat klaar. De uitdeling kan beginnen.

Maar wat wordt er dan uitgedeeld? Hetzij met een tekst als echt ‘tafelgebed’, hetzij met een al dan niet kort ingeleid lied, krijgen brood en wijn hun betekenis. Welke dan? Opnieuw geldt: dit is het punt waar met name de rooms-katholieke hiërarchie zich vanaf het begin van gedistantieerd heeft. Want het ritueel van brood en wijn zelf, niet het minst de gekozen bewoording daarbij, is evenmin gebonden aan die of die tekst, en handeling zo en zo, als de wijze van omgang met de bijbelse geschriften van de predikant. Kan dus ieder maar wat doen, zogezegd? Dat is natuurlijk niet zo – het brood en de wijn spreken immers zelf al een duidelijke taal. Maar de voorganger heeft wel alle vrijheid om in teksten, liedkeuze en gebaren eigen accenten te leggen.

In de praktijk houdt dit in dat zowel de vormgeving als ook de gesproken of gezongen teksten bij de betekenisgeving van brood en wijn kunnen verschillen. Het kan zo gaan, dat een lied wordt gezongen met een echt gebedskarakter, dus bijvoorbeeld ‘Alle denkbare en ondenkbare levende zielen bevelen wij U aan’ of ‘Groter dan ons hart’ (VL 550, 558). Daarna spreekt de voorganger al dan niet de traditionele instellingswoorden uit. In een andere, vaak gepraktiseerde vorm, is het de gemeente zelf die, in beurtzang met de voorganger betekenis geeft aan brood en beker. In feite gaat het dan dus om een gezongen eucharistisch gebed in meer eigenlijke zin. Maar let wel, het is de gemeente die in dat geval ook de bewuste instellingswoorden zingt. (Ook daar waar het koor delen hiervan zingt, is dat nog steeds de gemeente!) Dit is bijvoorbeeld het geval in het lied ‘Gij die weet’ (VL 612-619 ):

– Koor: ‘Die in de laatste nacht dat hij nog leefde het brood gebroken heeft en uitgedeeld, en heeft gezegd: “Neemt, eet, dit is mijn lichaam – zo zult gij doen tot mijn gedachtenis’.

– Allen: ‘Toen nam hij ook de beker, en hij zei: ‘Dit is het nieuwe verbond, dit is mijn bloed, dat wordt vergoten tot vergeving van uw zonden. Als je uit deze beker drinkt, denk dan aan mij’.

 

Ironisch grapje

Dit lied eindigt overigens met een paar regels die los van hun directe context als een ironisch grapje gelezen kunnen worden, dat tegelijk de kern raakt van de liturgievernieuwing die zich in de Dominicus als kerk voltrokken heeft. In twee golven feitelijk. Vóór de hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie, was het de priester – per definitie een man – die de mis opdroeg met zijn rug naar de gemeente. Daar, bij het hoogaltaar, gebeurde ‘het’, nadat de nodige (al dan niet onverstaanbare) formules uitgesproken waren. Dat veranderde dus. De priester keerde zijn gezicht naar de gemeente, de (vastgelegde) handelingen werden in elk geval zichtbaar, de (vastgestelde) teksten hoorbaar. Maar het bleef wel een man die in dit alles voorging, een man in vol ornaat die, alleen hij, in de dienst toegang tot het hoogaltaar had. En wat hij uitsprak en uitvoerde stond precies beschreven – beter: voorgeschreven. Het ‘volk Gods onderweg’ volgde braaf.

Tot de werkelijk vernieuwingen in de jaren zestig van de vorige eeuw. Huub Oosterhuis en Bernard Huijbers hadden de weg al gebaand met een lawine aan teksten en muziek, geënt op de traditie (ook hier niet bij nul begonnen!), maar tegelijk even eigentijds als eigenzinnig. Dominicanen als Wim Tepe en Jan Nieuwenhuis implementeerden dit alles in de Dominicuskerk. Symbolisch daarvoor werd het al genoemde podium midden in het kerkgebouw. Dáár ging nu alles gebeuren, gelezen en gezegd, gebeden en getoond worden. Mannen én vrouwen, ambtelijk gewijd of niet, ouderen en kinderen, op dat centrale podium hoort iedereen thuis die bijdraagt aan de viering van het liturgische spel.

Tegen die achtergrond, denkend aan die priester met zijn rug naar de gemeente, hoor ik de slotregels van ‘Gij die weet’ ook even als een ironisch grapje:

En maak ons nieuw, want waarom hij wel,
en waarom wij niet – wij zijn toch ook mensen?

 

2. Ritualiteit

De tweede ruimte

Direct in het verlengde hiervan: de broodbreking is slechts het begin van waar het eigenlijk om gaat: de uitdeling, het delen met elkaar, op een aantal punten in het kerkgebouw. Een kind draagt de man met matzes, een ander breekt die in stukjes en deelt uit, met of zonder specifieke tekst, een derde houdt de beker vast waarin het stukje kan worden gedoopt. Het is een indrukwekkend en vaak zeer ontroerend moment: ‘Met het licht van jouw ogen zegen mij’. Als ergens blijkt hoe gemengd in feite deze Dominicusgemeente is, dan wel hier. ‘Gemengd’ in de inmiddels meer traditionele zin van ‘oecumenisch’, maar meer nog in de zin van ieders eigenheid die bij de communie de ruimte krijgt.

Dat is trouwens waar het juist bij rituelen om gaat. Er is in de Dominicus op dat punt duidelijk sprake van een toename daarvan. Waren voorheen allerlei liturgische rituelen vóór en ná nauwkeurig voorgeschreven, en was daardoor lange tijd het verzet ertegen of zelfs de afkeer ervan groot, de tijd is er blijkbaar rijp voor om er in alle vrijheid weer ruimte voor te maken. De belangstelling daarvoor is groot. Het heimwee dat Czeslaw Milosz in zijn gedicht over ‘de tweede ruimte’ verwoord heeft. wordt ook hier door velen gedeeld:

Laten we smeken –
moge ons de tweede ruimte worden teruggegeven.

Dit komt allereerst tot uiting in de zondagse vieringen zelf: in de liederen die in woord- en tafeldienst rijmen op wat gezegd en getoond is; in de steeds meer gepraktiseerde stiltemomenten binnen de voorbeden, die op deze wijze heel die grote wereld met al zijn verwarring en verloederingen willen verbinden met heel die ene kleine mens met haar zorgen en zwarigheden; in de gedachtenis van de ‘eigen’ doden rondom Allerzielen, waarbij lichtjes worden ontstoken bij het grote fotoboek dat neergelegd is recht tegenover het grote muuropschrift ‘Ik zal er zijn’. Verder uiteraard steeds opnieuw in het eerder beschreven ritueel van de communie. Maar naast dit alles zijn er enkele speciale rituelen waarvoor in groeiende mate een plaats ingeruimd wordt. Ik bedoel dan niet alleen de meer ‘traditionele’ zoals een doopplechtigheid of een uitvaartceremonie. Het ligt voor de hand om juist dan de eigen wensen zo veel mogelijk te honoreren, ingeweven in het hart van juist dit type viering (met zout en licht, water en wierook en al). Maar meer en meer beginnen zich in de Dominicus ook een enkele andere gebruiken te nestelen, waarvan ik er één nu nog wat nader wil beschrijven.

 

Handenwassing

Sinds een jaar of twintig wordt de periode vóór Pasen gemarkeerd door het ritueel van de handenwassing, aanvankelijk op palmzondag, later op de eerste zondag van de veertigdagentijd. Wat het precies wil zijn? Precies dat is geen goede vraag, want dit ritueel wil, zoals trouwens elk ritueel, nu juist ruimte creëren voor meervoudige duiding. Natuurlijk zijn er associaties met schuld en vergeving, menselijk tekort en heling daarvan. Oosterhuis’ tekst, die dient als inleiding van dit ritueel, roept dat ook wel op (VL 846):

Wat ik gewild heb, wat ik gedaan heb,
wat mij gedaan werd, wat ik misdaan heb,
wat ongezegd bleef, wat onverzoend bleef,
wat niet gekend werd, wat ongebruikt bleef,
al dat beschamende, neem het van mij.
En dat ik dit was en geen ander,
dit overschot van stof van de aarde:
dit was mijn liefde. Hier ben ik.

Toch, wat hierboven uitstijgt, is de onderlinge betrokkenheid en tederheid die bij dit ritueel de kleur bepalen. Want je wast elkaar de handen, met een woord dat je naast de handwassing de ander toereikt (‘Vrede voor jou!’, ‘Wees gezegend’), of juist langs de weg van het woordeloze contact van oog tot oog.

Hoe gaat het in zijn werk? De voorganger vult een aantal kannen met water (die, inderdaad, op het podium klaar staan) en deelt die uit aan twee helpers. Die twee gaan op enkele punten in het kerkgebouw staan, boven de roosters van de verwarming, waar het water zijn weg vinden kan. Net als bij de communie kan nu ieder die dat wil zich op één van die punten de handen laten wassen door de schenker en laten afdrogen door de andere ‘diaken’. Aan hen wordt tenslotte het wassen en drogen voltrokken door de laatste twee uit de rij. Gedurende heel de ceremonie zingt het koor een aantal ‘gedragen’ liederen, vooral bewerkingen van de psalmen.

Metaforiek

Het is interessant dat ook bij deze experimentele geloofsgemeenschap in de loop van de tijd de roep om intrede in ‘de tweede ruimte’ weer sterk is gaan klinken. Het verlangen naar eindelijk gerechtigheid en recht in deze wereld, die in preken en (tafel)gebeden de boventoon voert, hoeft daar zeker niet tegen uitgespeeld te worden, zo blijkt wel. Want zonder de poëzie van liturgie als geheel en van de rituelen in het bijzonder, valt het anders niet uit te houden. De vormen van dit of dat ritueel mogen, moeten zelfs, steeds opnieuw veranderen. Maar dat waaraan zij uitdrukking geven, stijgt daar boven uit. Dat is de kracht van metaforiek.

Ik vind dit nog steeds mooi verwoord door de liturgioloog Herman Wegman, in een meditatief stuk over Mozes die vóór hij sterft het uitzicht krijgt geboden over het land van belofte (zie Deuteronomium 34). Aan het slot van dat stuk verbindt hij de metaforische taal met liturgieviering en ritualiteit:

In deze theologie is het spreken over God een zoektocht waarin beelden worden opgericht en weer afgebroken, in een continu proces. De zoektocht geldt de waarheid die vóór ons ligt, die we echter niet bezitten. In de eredienst kunnen we referentiële teksten (die naar een tastbare werkelijkheid verwijzen) niet gebruiken, omdat de liturgie niets over God en zijn toekomst meedeelt. Zij viert de toekomst en wacht in spanning op het moment ‘totdat Hij komt’.

Dit is wat de Dominicusgemeente op haar wijze praktiseert. Het is echt niet de enige, laat staan de enig juiste wijze. Zo zou de schriftlezing best eens uit een heuse bijbeluitgave gedaan mogen worden in plaats van met behulp van een A-viertje in een zwarte map. Wat meer aandacht voor liturgische kleuren kan ook geen kwaad. En hoeveel prachtigs het Verzameld Liedboek ook te bieden heeft, dat liederen van bijbeltheologische jongleurs en literair hoogstaande dichters als Willem Barnard, Thomas Naastepad, Jan Wit of Jan Willem Schulte Nordholt hier geen plek krijgen, is een gemis. Zo valt er nog wel meer te noemen. Maar dit weegt bepaald niet op tegen de inspiratie die nu al een halve eeuw van deze gemeente uitgaat. En dat is inderdaad goud waard.

 

Literatuur

  • Czeslaw Milosz, Gedichten, Amsterdam/Antwerpen 2003
  • Huub Oosterhuis, Verzameld Liedboek (VL), Kampen 2004.
  • Gerard Rouwhorst, ‘Leesroosters in het vroege christendom’, in: G. Lukken/J. de Wit (red.), Lezen in fragmenten: De bijbel als liturgisch boek, Baarn 1998, 37-47.
  • Niek Schuman, ‘Pinksteren in de Dominicus’, in: M. Barnard/N.A. Schuman, Nieuwe wegen in de liturgie: De weg van de liturgie – een vervolg, Zoetermeer 2002, 38-43.
  • Wim Tepe, Een kerk die bleef: Honderd jaar Dominicus in Amsterdam, Hilversum 1977.
  • Herman Wegman, ‘Zonder gelijkenis sprak hij niet tot hen: Over de fictionele taal van het geloof’ en ‘Als Mozes’, in: Idem, Voor de lange duur: Bijdragen over liturgie en spiritualiteit, Baarn 1999, 33-36 en 261-278.

Niek Schuman