Openbaring 7: Allerheiligen

Auteur: Niek Schuman

Vooraf: Openbaring 7 vormt mijns inziens een intrinsieke eenheid met Openbaring 4 en 5 (en tussenliggend gedeelte). Onderstaande bijdrage veronderstelt dan ook lezing van het voorafgaande stuk.

Inleiding

Het is voor mij één van die herinneringen die een mens kunnen bijblijven, gebrand op het netvlies, geschroefd in het oor. Daar stond, op het brede podium van muziekcentrum Vredenburg te Utrecht, die kleine vrouw met sterk postuur, die ooit de beroemd geworden tekst schreef voor Amnesty International: ‘Als niemand luistert naar niemand, vallen er doden in plaats van woorden’. Die avond in 1984 liet Jana Beranová alleen maar woorden vallen – en wat voor! Ik hoor en zie nog die woorden die ze ook letterlijk liet vallen, na elke naam die ze had opgesomd. Want ze las haar gedicht voor met de titel ‘God mag weten waar ze zijn’. Een lange rij namen van vermisten. In haar hand hield ze dertien papiertjes waarop de dertien namen stonden geschreven. Na elke naam (‘Waar is… ?’) liet ze een papiertje op de grond vallen. Meer gebeurde er niet, minder gebeurde er niet. De namen dwarrelden op de grond. Het was doodstil.

Bij het lezen of horen voorlezen van Openbaring 7 heb ik een soortgelijke ervaring. Om het de lezers mogelijk te maken zelf op het spoor te komen van de indruk die deze bijzondere passage kan oproepen, nodig ik hen uit om het stuk eerst rustig te lezen (I). Daarna kunnen we weer eerst enkele observaties doen ten aanzien van de scène als geheel (II). Deze waarnemingen zullen behulpzaam zijn bij het inhoudelijk verstaan wat wat hier getoond wordt (III).
Daarna kom ik terug op de hypothese uit de vorige bijdrage (IV). Tenslotte geef ik een beschrijving van de functie die Openbaring 7 nog altijd heeft in de liturgie van de kerk (V).

I. Openbaring 7: de tekst

  1. Daarna zag ik vier engelen staanop de vier hoeken van de aarde;
    zij hielden de vier winden van de aarde in bedwang,
    zodat er geen wind kon waaien:
    over land en zee niet,noch door enig geboomte.
  2. En ik zag een andere engel;deze steeg op van de opgang der zon,
    met het zegel van de levende God.
    Hij riep met luide stem tot de vier engelen
    aan wie macht was gegeven
    om schade toe te brengen aan land en zee:
  3. Brengt geen schade toeaan land of zee of aan het geboomte
    voordat wij de dienaars van onze God
    met het zegel op hun voorhoofd
    getekend zullen hebben!’.
  4. En ik hoorde het getal der getekenden:honderd vier en veertig duizend getekenden
    uit alle stammen van de Israëlieten.
  5. Uit de stam Juda: twaalf duizend getekenden.Uit de stam Ruben: twaalf duizend getekenden.
    Uit de stam Gad: twaalf duizend getekenden.
  6. Uit de stam Aser: twaalf duizend getekenden.Uit de stam Naftali: twaalf duizend getekenden.
    Uit de stam Manasse: twaalf duizend getekenden.
  7. Uit de stam Simeon: twaalf duizend getekenden.
  8. Uit de stam Levi: twaalf duizend getekenden.Uit de stam Issachar: twaalf duizend getekenden.
  9. Uit de stam Zebulon: twaalf duizend getekenden.Uit de stam Jozef: twaalf duizend getekenden.
    Uit de stam Benjamin: twaalf duizend getekenden.
  10. Daarna keek ik toe, en zie:een enorme menigte,
    die niemand tellen kon,
    uit alle volken en stammen en rassen en talen.Zij stonden voor de troon, voor het Lam,
    in witte gewaden gekleed
    en met palmtakken in de hand.
  11. En zij riepen met luide stem uit:’Heil onze God, de Gezetene op de troon,
    en (heil) het Lam!’.
  12. Alle engelen stonden om de troon heenen om de oudsten
    en de vier levende wezens heen,
    en zij wierpen zich op hun aangezicht vóór de troon in aanbidding neer
    met de woorden:
  13. ‘Amen! De lof, de heerlijkheid, de wijsheid,de dank, de eer, de macht en de kracht
    aan onze God, in de eeuwen der eeuwen, amen!’
  14. Een van de oudsten nam het woord en vroeg mij:’Die mensen in die witte gewaden,
    wie zijn dat, waar komen zij vandaan?’
  15. Ik zei hem:’Mijn heer, gìj weet dat!’,
    waarop hij tegen mij zei:
    ‘Dezen zijn het die komen
    uit de grote verdrukking;
    zij hebben hun gewaden gewassen
    en die wit gemaakt in het bloed van het Lam.
  16. Daarom staan zij voor de troon van Goden dienen zij Hem dag en nacht in zijn tempel;
    en de Gezetene op de troon
    zal zijn tent over hen uitspreiden.
  17. Honger en dorst zullen zij niet meer hebben,zon noch woestijnhitte zal hen nog treffen.
  18. Want het Lam, dat middenin de troon is,hij zal hen als herder weiden
    en hen leiden naar de waterbronnen van het leven.
    En God zal alle tranen uit hun ogen wissen’.

II. Eerste waarnemingen

Ik begin met een kort résumé van het voorafgaande. De deur in de hemel, opengegaan in Openbaring 4:1, staat nog steeds open, en wij kijken mèt de ziener Johannes mee, beurtelings vol verbazing en verbijstering.

De verbazing werd opgeroepen door het alsmaar voller worden van het toneel dat in het visioen van Openbaring 4 en 5 wordt getoond. Voller, kleurrijker, veelzeggender. In het centrum van een schitterende hemelse troonzaal, met een vloer als van doorzichtig glas, staat een complexe troon. Daarop zit ‘de Gezetene’, daarop zit ook het Lam, gewond, maar vol van leven. In zijn hand houdt hij de boekrol met de zeven zegels. Vier levende wezens als vertegenwoordigers van heel de schepping vormen deel van dezelfde troon, ook zij vol beweging en leven. Vóór de troon schieten lichtende fakkels heen en weer als vurige geesten Gods. Om de troon heen geschaard zitten vier en twintig oudsten, gouden kronen op hun hoofd, in witte gewaden gekleed: zij regeren mee. Dat alles wordt omlijst door een regenboog. En vooral: dat alles zingt.

Er is evenwel ook alle reden tot verbijstering. Want het Lam is de zegels één voor één gaan openen. De vier levende wezens hebben als representanten van heel de schepping gewezen op het schouwspel van de vier op aarde rondrennende paarden: die van de oorlog, de burgeroorlog, de hongersnood en de dood (6:1-8). Bij de opening van het vijfde zegel werd een altaar zichtbaar, waaronder een menigte van martelaren, uitroepend; ‘Hoe lang nog?!’. Het is niet duidelijk of we ons dit altaar ook in de hemel moeten voorstellen, dus als deel van die complexe troon. Mogelijk is het wel, gezien het vervolg: zij worden bekleed met witte gewaden. Hun wordt gezegd nog te wachten op de ultieme rechtsverschaffing, totdat hun mededienstknechten hùn martelaarschap zullen hebben doorstaan (6:9-11). Dan volgt de opening van het zesde zegel. De krachten die daarmee op aarde vrijkomen zijn nog vernietigender dan de vorige;geen macht die ‘de toorn van het Lam’ kan weerstaan bij deze kosmische catastrofe (6:12-17).

Het visioen van Openbaring 7 nu maakt deel uit van dìe gebeurtenissen die losgebroken zijn bij de opening van het zesde zegel. Wat ons getoond wordt, behoort dus tot ‘de grote dag’ van de toorn van de Gezetene en van het Lam. Anders gezegd: de ‘idylle’ van dit visioen, zo prachtig geschilderd door de gebroeders Van Eyck, speelt zich niet buiten de eerder opgeroepen realiteit af. Het speelt zich juist af in een haast letterlijk stormvrij gemaakt deel van die realiteit. Dat is wat verhaald wordt in 7:1-3. Vier engelen scheppen ruimte voor wat ‘een andere engel’, opkomend vanuit het Oosten, gaat doen. Hij gaat op het voorhoofd van de getrouwen een teken aanbrengen met ‘het zegel van de levende God’. Blijkbaar is dat teken voldoende om die getrouwen veilig te stellen voor alwat er straks, bij de opening van zevende en laatste zegel, nog zal gaan gebeuren.

Heel de rest van deze passage, vanaf vers 4 tot en met vers 17, is gewijd aan de beschrijving van de identiteit en het lot van de getrouwen, de ‘dienaars van onze God’. Dezen behoren tot twee categorieën: (1) de twaalf maal twaalf duizend (met het zegel) getekenden van uit alle stammen van Israël; (2) een enorme schare, die wat haar afstamming betreft overal vandaan komt en nu wereldwijd is verzameld tot een menigte ‘die niemand tellen kan’. Strikt genomen wordt van déze mensen niet verteld dat zij tot de ‘getekenden’ behoren. Omgekeerd, zìj worden voorgesteld als een schare mensen in witte gewaden en met palmtakken in de hand. We zullen (zoals zo vaak het geval is in apocalyptische beschrijvingen) dit alles niet àl te logisch’ moeten analyseren. Beelden en beschrijvingen vloeien vaak in elkaar over. Hier betekent dat: we zullen ons de eerste groep óók kunnen voorstellen als koninklijke feestgangers (witte gewaden, palmtakken), en de tweede groep zal zeker ook behoren tot degenen die op het voorhoofd getekend zijn met het zegel van de levende God.

De hernieuwde lofzang op de Gezetene en het Lam, gezongen door die ontelbare menigte, wordt overgenomen door allen die al eerder op het toneel van de hemelsescène ‘neergezet’ waren. De goddelijke boden, de oudsten, en de vier levende wezens heffen weer net als 5:11 en 12 een zevenvoudige lofverheffing aan, daar gericht tot het Lam, hier tot God. Het meest opmerkelijk is intussen de aparte vermelding van de vier en twintig oudsten. Dit gegeven zullen we verdisconteren bij de hernieuwde vraag met wie we hier nu toch van doen hebben (zie verder bij IV).

Het laatste gedeelte van het visioen beschrijft nader de identiteit van de ontelbare menigte. Zij zijn gekomen uit ‘de grote verdrukking’. En ze hebben hun (witte) gewaden ‘gewassen’ in het (rode) bloed van het Lam. De schijnbaar logische tegenspraak in deze woorden prikkelt alleen maar sterker om de bedoeling ervan enigszins te doorgronden. Maar de vertegenwoordiger van de oudsten die dit alles vertelt, lijkt een goed begrip hiervan vanzelfsprekend te vinden. Hij vervolgt zijn uitleg met de beschrijving van Gods bescherming die aan deze mensen ten deel valt. Hij spreidt ‘zijn tent’ over hen uit, en zij lijden niet meer aan honger, dorst en ondragelijke hitte. Integendeel – en opnieuw verspringt het beeld zonder verdere overgang -, zij worden als een vredige kudde schapen geweid door het Lam zelf. Het Lam voert hen naar ‘de waterbronnen van het leven’.

Daarop volgt die laatste zin van Openbaring 7 die al zò ontzaglijk vaak is geciteerd en die altijd weer ontroert: ‘En God zal iedere traan van hun ogen afwissen’. Hetzelfde horen we nog een keer aan het slot van het boek Openbaring, in 21:4. Het is ontleend aan Jesaja 25:8, dat weer deel uitmaakt van het visioen van het feestmaal voor alle volken (!), door God aangericht op de berg Sion.

Onmiddelijk na deze uiterst vredige afsluiting van de scène uit Openbaring 7, begint het vervolg van de opening van de zegels. We waren het even vergeten, maar wat ons zojuist werd getoond maakte immers deel uit van alles wat er bij de opening van het zesde zegel ging gebeuren: aan catastrofes (6:12-17) èn aan redding daaruit (7:1-17). Na de beschrijving van die redding, volgt daarom nu de opening van het zevende en laatste zegel. Op zijn beurt zal dat zevende zegel weer uitwaaieren in een ander zevental, dat van de bazuinen (vergelijk de bijdrage van J. Nieuwenhuis, ‘De compositie, begin en einde van de Apocalyps). Wij houden nu evenwel de blik gericht op het visioen van Openbaring 7.

III. Achtergronden

Uit Openbaring 4 en 5 weten we inmiddels dat het getal vier staat voor de gehele aarde. De vier levende wezens vertegenwoordigen alwat leeft op aarde. En zo opent onze scène met het beeld van vier goddelijke boden die op de ‘vier hoeken van de aarde’ staan en daar de ‘vier winden van de aarde’ in bedwang houden. Die beeldspraak, de vier winden als catastrofale stormen van de wereldgeschiedenis, kennen we uit de profetie (bijvoorbeeld in de godsspraak tegen Elam, Jeremia 49:35-39) en uit de apocalyptiek (bijvoorbeeld in Daniël 7:2).

De engel die de verwoestingen voorlopig tegenhoudt om het zegel van de levende God aan te kunnen brengen, stijgt op uit het Oosten. Anders gezegd, de engel wordt feitelijk geschetst als de opkomende zon. Het ligt eigenlijk wel voor de hand om hier te denken aan het slot van de oudtestamentische profetische geschriften. Daar, in Maleachi 3 (de telling die in de meeste vertalingen wordt aangehouden), gaat het over de ‘Dag des heren’ (vergelijk hiermee de ‘grote dag van hun toorn’ in Openbaring 6:17). Die dag is een echte dag des oordeels, een dies irae. In bijbelse taal betekent dat altijd: de dag van ultieme rechtsverschaffing, de dag waarop aan kwaaddoeners en rechtvaardigen de vruchten van hun handelen toebedeeld worden – eindelijk. Kwaaddoeners kunnen dan onmogelijk standhouden: ze zijn als kaf dat verbrand wordt. ‘Maar voor u die mijn Naam respecteert, zal de zon der gerechtigheid opgaan, die met haar vleugels genezing zal brengen’, luidt het vervolg. Dat is gericht tot de rechtvaardigen; zie Maleachi 3:13-21. Het is heel zinvol om daar ter voorkoming van misverstand een passage als Mattheüs 25:31-46 naast te leggen. Het criterium van de scheiding tussen kwaaddoeners en rechtvaardigen blijkt gelegen te zijn in de (h)erkenning van messiaanse trekken in de minsten der mensen. We zullen deze kijk op hetgeen hier verbeeld wordt ook moeten verdisconteren bij wat straks wordt gezegd over het wassen van de gewaden in het bloed van het Lam.

Bij de symboliek van het teken op het voorhoofd van de rechtvaardigen wordt doorgaans gedacht aan de doop. Ik ben van mening dat dit inderdaad het meest waarschijnlijk is, gezien het slot van heel onze scène (zie beneden). Het kan in eerste instantie vreemd, of zelfs ‘inhalig’ aandoen. Want de ‘getekenden’ vormen nu juist de volheid van geheel Israël. Is dan die gedachte aan de doop niet een voorbeeld van een christelijke annexatiedrift die regelrecht ongepast zou zijn? Wanneer men de doop tegenover de besnijdenis zet: inderdaad. Maar wie beseft dat Johannes de Doper dat nu juist helemaal niet doet, en dat de doop van Jezus zelf bepaald ook niet in die richting wijst, ziet onze scène vanuit een heel ander perspectief. Het gaat primair om een teken van verzegeling in de zin van bescherming: wie ‘gemerkt’ is, is eigendom Gods en komt voor Gods verantwoordelijkheid. Onder die belichting kunnen we het merkteken van Openbaring 7:2 direct vergelijken het teken aan de deurpost van Exodus 12:7, 13, 22.

Het appèl van de twaalf maal twaalf duizend verzegelden is onzegbaar indrukwekkend. Hier zal ook wel de gedachte aan het versierde borstschild van de hogepriester meespelen: twaalf fraai gegraveerde stenen dragen de namen van de twaalf stammen. Hoe dat zij, niemand blijkt te ontbreken, van Juda tot Benjamin niet. Wie dit appèl (voor)leest, zal het als vanzelf horen tegen de achtergrond van al die eeuwen van verguizing, vervolging, vergassing. ‘Waar is Juda…? Waar is Benjamin…? Waar is… ‘. Hier blijken allen present.

Deze gemeente van het oude verbond, zeg: die van Abraham, Isaäk en Jakob, is in de hemelse troonzaal in gezelschap van de ontelbare menigte uit alle volkeren, zeg: die van Abraham en zijn andere zonen (Genesis 25:1-5). De viervoudige aanduiding ‘(uit alle) volken, stammen, rassen, talen’ spoort met het al eerder genoemde getal van de gehele aarde.

Hierboven heb ik er al op gewezen dat we hetgeen getoond wordt in de slotscène van vers 13 tot en met 17 wel zullen moeten betrekken op beide groepen. Het gaat immers over het geheel van diegenen die op ‘de grote dag’ van de Gezetene en van het Lam als rechtvaardigen worden aangewezen. Zij komen uit de grote verdrukking. Dat gaat niet over één moment in de geschiedenis, maar over momenten door heel de wereldtijd heen. Die verdrukking is het gevolg van hun gehoorzaamheid aan het Woord van God; dat was al in 6:9 aangeduid. Het zal hier gaan om de concretisering van wat nu eigenlijk ‘rechtvaardigheid’ is. Bijbels gesproken is dat altijd: rechtvaardigheid metterdaad. Zij hebben het Woord, uitgesproken in wet, profeten en apostelen, niet alleen gehoord, maar ook gedaan (vergelijk Mattheüs 7:24-27).

Deze notie speelt mee in wat nu verder gezegd wordt. ‘Zij hebben hun gewaden gewassen in het bloed van het Lam’: vanuit de kerkelijke traditie denkt men meestal onmiddellijk aan ‘de verzoening’. Niet zonder reden, mijns inziens. Het gaat hier zeker over het bloed van het (paas)lam als verzoenend bloed. Maar daar moet dan altijd direct aan toegevoegd worden: ook als bloed dat tot teken is geworden van wat wij ‘navolging’ zijn gaan noemen. Ter vergelijking kunnen we opnieuw aan een parabel uit Mattheüs denken, dit keer Mattheüs 22:1-14. Die ene man die zijn gewone pak aanhi en eld het feestkleed niet nodig vond, wordt uitgeworpen. Zijn dracht staat voor zijn gedrag, en dat strookt niet met de nodiging tot het feestmaal. Dezelfde symboliek van dracht en gedrag vinden we trouwens al in de scène rondom de Sinaï als heilige godsberg: wie daar aanwezig is, dient zijn kleding te wassen. Alleen deze gereinigde, geheiligde gemeente kan de woorden van de dan volgende goddelijke proclamatie horen en gaan doen (Exodus 19:10 als deel van het geheel Exodus 19 tot en met 24).

Het is inderdaad aannemelijk dat deze associatie meegedacht is, gezien het vervolg van de slotscène. De ‘tent’ van God is als ‘tabernakel’ plaats van eredienst en bescherming tegelijk. Dat laatste wordt dan weer concreet in de garantie dat alle beproevingen van de woestijn (honger, dorst, hitte) ten einde zijn. Daar staat nu een heel andere werkelijkheid tegenover: die van het herderschap van het Lam. Deze uitspraak is ontleend aan Jesaja 49:10; beide roepen ze directe associaties op met Psalm 23, ‘De heer is mijn herder’. Wat het nu voor ons extra intrigerend maakt, is het gegeven dat juist deze psalm in de vroegchristelijke traditie zeer nauw verbonden werd met de doop.

IV. Opnieuw: (paas?)liturgie

Zo brengt het slot van Openbaring 7 ons weer terug bij de hypothese die ik bij Openbaring 4 en 5 heb ontvouwd. Kort samengevat: de visioenen die hier worden getekend, weerspiegelen liturgische elementen uit de tijd van het ontstaan van de Apocalyps. Meer in het bijzonder: diverse van die liturgische elementen worden hier samengevoegd tot een liturgisch drama, dat bij nader toezien elementen van een paasliturgie lijkt te bevatten. Ik ga daarop nu puntsgewijs nog wat
nader in.

1. Als één van de aanknopingspunten noemde ik al de paaspreek van Melito van Sardes. Die preek, of beter: dat tractaat, geeft ons een indruk van de wijze waarop halverwege de tweede eeuw na Christus talrijke teksten en thema’s uit het Oude Testament messiaans worden geduid. Zò gebeurt dat hier in Openbaring 4,5 en 7 niet. Toch komt een vergelijkbaar verschijnsel al volop voor in diverse nieuwtestamentische geschriften, met behulp van een groot aantal expliciete en impliciete citaten en toespelingen, vooral uit de psalmen en de profetische schriftuur. Het is dus op zichzelf zeer goed denkbaar dat in dit laatste bijbelboek, verreweg het jongste van alle, op soortgelijke wijze oudtestamentische teksten en thema’s als ‘rekwisieten’ voor het decor van de nieuwtestamentische verkondiging worden gebruikt. Ter illustratie citeer ik nu een passage uit de genoemde paaspreek van Melito. Let op de gelijkenis van beelden en uitspraken daarin met die uit het boek Openbaring:

‘Want Ik ben uw vergeving (…); Ik ben het pascha van de verlossing; Ik ben het lam dat voor u is geslacht; Ik (ben) uw leven/; Ik (ben) uw licht; Ik (ben) uw verlossing; Ik (ben) uw opstanding; Ik (ben) uw koning. Ik zal u opwekken door mijn rechterhand; Ik zal u naar de hoge hemelen voeren. Daar zal Ik u de Vader doen zien, Hem die van eeuwigheid was’ (ed. S.G. Hall, 1979, 103).

En aan het slot:

‘Hij is de Alfa en de Omega, het begin en het einde, het onuitsprekelijk begin, het onbegrijpelijke einde, Hij is de Christus. Hij is de koning; Hij is Jezus; Hij is de voorman; Hij is de heer (kurios); Hij is het die opgestaan is van de doden; Hij is het die zit aan de rechterhand van de Vader; Hij leidt de Vader en wordt door de Vader geleid. Aan Hem de eer en de kracht, in eeuwigheid, amen!’ (ed. S.G. Hall, 1979, 105).

2. Een ander aanknopingspunt werd gevormd door de aanwezigheid van de vier en twintig gekroonde oudsten, die actief participeren aan alles wat getoond en gezegd wordt. Ik koos ervoor om die vier en twintig niet op te vatten als twee keer twaalf, voor respectievelijk de oudtestamentische en de nieuwtestamentische gemeente. Ik gaf en geef de voorkeur aan een andere opvatting: de vier en twintig representeren een rij van heiligen en rechtvaardigen zoals die in diverse bijbelse en na-bijbelse geschriften opgevoerd worden.

Zo herinnert Mattathias voordat hij gaat sterven aan de velen die trouw zijn gebleven in allerlei soorten van verdrukking en aanvechting. Via Abraham, Jozef, Pinehas, Jozua, Kaleb, David, Elia, Chananja, Azarja, Misaël en Daniël, komt hij uit bij zijn zonen zelf, die hij oproept op hun beurt God niet te verloochenen; zie I Maccabeeën 2:49-70. Zij zijn de rechtvaardigen die staan voor Gods zaak.

Dan is er de zeer uitvoerige verhandeling in Jezus Sirach 44-49, die we de ‘Lof der vrome voorvaderen’ kunnen noemen. Henoch, Noach, Abraham, Izaäk, Jakob, Mozes, Aäron, Pinehas, Jozua, Kaleb, Samuël en de richters, Nathan, David, Salomo, Elia, Elisa, Hizkia en Jesaja, Josia en Jeremia. Ezechiël en de twaalf ‘kleine’ profeten, Zerubbabel, Jozua ben Josadak, Nehemia, en aan het slot nog eens Jozef, Sem, Seth en ‘boven al wat leeft’ Adam – deze allen behoren tot de ‘heersers vol koninklijke waardigheid (…) vromen, wier rechtvaardige daden niet zullen worden vergeten’ (44:3, 10). Weer: zij zijn de rechtvaardigen, die als zodanig koninklijk gezag hebben.

Uit het Nieuwe Testament kennen we Hebreeën 11 als een soortgelijke opsomming van geloofsgetuigen: Abel, Henoch, Noach, Abraham, Izaäk, Jakob, Sara, Mozes zelf, evenals zijn ouders,Rachab, Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuël en de profeten… Deze allen, en nog velen meer (11:32-38!), zijn als een grote menigte getuigen om ons heen (12:1). Het beeld is hier blijkbaar dat van een tribune om de renbaan heen. Om in stijl te blijven, zouden we het de eretribune kunnen noemen.

Tenslotte herinner ik voor deze gedachtegang aan de Apostolische Constituties, het liturgie-historisch zo belangrijke geschrift dat ik in de vorige bijdrage al heb genoemd in verband met de scène van Openbaring 4 en 5. Daar gaf ik een citaat uit Boek VIII van dit geschrift; een groot aantal namen wordt er opgevoerd als getuigen van de grote daden Gods. In Boek VII, hoofdstuk 37 en 38, ziet de lijst met namen er weer wat anders uit. Nu gaat het om een serie personen die ooit iets met offers van doen hadden: Abel, Noach, Abraham, Izaäk, Jakob, Mozes, Aäron, Jozua, Gideon, Manoah, Simson, Jefta, Barak en Debora, Samuël, David, Salomo, Elia, Elisa, Josafat, Hizkia, Manasse, Josia, Ezra, Daniël, Jona, Hanna, Nehemia, Zerubabel, alsmede Mattathias en zijn zonen. Merkwaardig genoeg volgt na deze dertig namen nog die van Jaël, die in Debora’s lied als ‘Gezegende boven de vrouwen’ bezongen wordt (Richteren 5:24). Hierna gaat het als volgt verder:

Aanvaard dan nu de gebeden die uw volk U aanbiedt omwille van Christus, door de Geest. Voor dit alles zeggen wij U dank, almachtige Heerser; want Gij hebt ons uw erbarmen en uw ontferming niet onthouden; van geslacht op geslacht zijt Gij onze redder, bevrijder, helper en beschermer. Gij hebt U een helper betoond in de dagen van Enos en van Henoch, in de dagen van Mozes en Jozua, in de dagen van de Richters, in de dagen van Samuël, van Elia en de profeten, in de dagen van David en de koningen, in de dagen van Esther en Mordechai, in de dagen van Judith, in de dagen van Judas Maccabeüs en zijn broeders. En in onze dagen zijt Gij ons te hulp gekomen in uw hogepriester Jezus Christus, uw dienaar…

Het hier opgevoerde materiaal versterkt de indruk die zich bij lezing van Openbaring4 en 5 al opdrong: de vier en twintig oudsten fungeren als kroongetuigen van Gods grote daden. Meer in het bijzonder betuigen zij het ultieme goddelijk handelen in Jezus Christus als het paaslam dat geslacht is en leeft. Het Lam heeft met zijn bloed mensen uit alle stammen en talen en volken en naties vrijgekocht, zingen zij in Openbaring 5:9. De vrijgekochten vormen een gemeente uit het volk van de besnijdenis èn uit de andere volken, is de kern van hun getuigenis bij monde van één van hen (7:13 en 14).

3. Er is nog een derde aanknopingspunt voor de hier geboden hypothese, en wel in verband met de zinspeling op de doop (zie boven, aan het slot van III). In een vroeg stadium van de traditie zijn Pasen en doop nauw met elkaar verbonden geraakt. Daarover zijn we vrij goed geïnformeerd. Tegelijk is het een feit dat we niet beschikken over gegevens, dat die verbinding al zo vroeg als in de tijd van het boek Openbaring zou hebben bestaan. Kort samengevat: onmogelijk is het niet, bewijsbaar is het evenmin.

In dit verband is er wel een interessant gegeven uit latere tijd. Ik bedoel de gereconstrueerde doopkapel van het oude Cuicul, nu Djemilla in het huidige Algerije. Het eigenlijke doopbad lag in het centrum van twee halve ronde gangen, met daarin respectievelijk (in de binnenring) twaalf, en (in de buitenring) vier en twintig nissen. Men dateert deze doopkapel rondom 400 na Christus. Dat is uiteraard ruim na de tijd van ontstaan van de Apocalyps. Dit neemt niet weg, dat men de symboliek van de halve cirkels, die van de twaalf en vier en twintig uitgehouwen zitplaatsen, èn die van de vier zuilen als dragers van het baldakijn boven het doopbad, met niets anders dan Openbaring 7 in verband kan brengen (vergelijk M. Barnard, 1998, 286v.). Zonder veel moeite hoort men hier Psalm 23 klinken. Immers, ‘het Lam zal hen leiden naar de waterbronnen van het leven’.

Al met al wordt in Openbaring 7 de hypothese bij Openbaring 4 en 5 eerder versterkt dan verzwakt. Dat (ook) hier elementen uit de toenmalige liturgie worden weerspiegeld en doorgegeven, lijkt onmiskenbaar. Dat het meer specifiek om elementen uit een zeer oude paasliturgie zou gaan, is in elk geval niet onmogelijk. Daar moet overigens wel bij worden gezegd, dat de lijnen vaak vloeiend zijn. De palmtakken uit vers 9 zou men immers ook met Loofhutten kunnen associëren. Een feestliturgie ìs het. Welke, dat blijft nog onzeker.

V. Allerheiligen

In de liturgische traditie van de kerk is Openbaring 7 deel gaan uitmaken van het arrangement dat het feest van Allerheiligen structureert (Schuman 1985, 54-61 en passim). Naast Psalm 34, over ‘heiligen en rechtvaardigen’, zijn er de lezingen uit Openbaring 7 en Mattheüs 5:1-12, de zaligsprekingen. De combinatie van die lezingen spreekt voor zichzelf. De gemeente uit Israël en de volken, die in de verbeelding van Openbaring 7 deelneemt aan de hemelse liturgie, is de gemeente van degenen die in hun honger en dorst naar gerechtigheid hebben volhard tot het einde. Vervolging is hun juist daardoor ten deel gevallen.

De cultuur- en maatschappij-kritische aspecten van deze visie waarmee de Bergrede begint, zullen we ook bij het visioen van Openbaring 7 moeten verdisconteren. Dit strookt geheel en al met de achtergronden, ontstaansgeschiedenis en bedoeling van de apocalyptiek, zoals in deze bundel her en der beschreven. Het lijkt mij in het licht daarvan passend om deze bijdrage af te sluiten met twee citaten uit Miskotte’s boek over de visioenen van Johannes. Dat boek ontstond immers uit een serie voordrachten hierover in de winter van 1943/1944. Het verscheen voor het eerst in druk in juli 1944. Het Beest uit de afgrond sloeg in die dagen opnieuw metterdaad om zich heen. En Miskotte schreef (15, 182v., in de spelling van die dagen):

De Openbaring aan Johannes is een troostboek voor de martelaarsgemeente in den romeinse totaalstaat, onder keizer Domitianus verschenen. Wat daarin voorspeld wordt, is grootendeels in die tijd vervuld en geschied. Evenwel met dien verstande, dat hetgeen daar geschiedde, kenmerkend is voor de wereld, te allen tijde, voor zoover zij Christus afwijst, met name kenmerkend is voor de gesteltenis van den tijd, waarin een bepaalde, door één geest beheerschte, totalitaire wereldperiode ten einde gaat…

Ik hoop, dat wij vanavond met elkander bevestigd hebben gezien ons uitgangspunt van dezen winter, n.l. dat de apocalyps een troostboek is voor de ‘martelaarsgemeente‘. U ziet bovendien duidelijker dan te voren de onmogelijkheid om de hoofdstukken van de apocalyps als opeenvolgende tijdperken van de geschiedenis te lezen. Aan het eind van Openbaring 6, als de sterren uit den hemel vallen en de koningen in de rotsen kruipen, dan zijn wij reeds aan het einde. En aan het slot van Hoofdstuk 7 zijn wij even ver als later in Openbaring 21, waar ook letterlijk staat: ‘God zal alle tranen van hunne ogen afwisschen‘. Het zijn geen tafereelen achter elkaar, maar het zijn flitsen over altijd dezelfde ‘laatste dagen’, tussen Hemelvaart en Wederkomst, licht-fragmenten, doorzichtige teekenen, verschuivend als in een caleidoscoop die omgewenteld wordt; en dat moet dan
ook gebeuren wegens de mogelijkheid dat de hoofdsom der historie tot aanschouwing wordt gebracht.

Nota bene drie maanden na de bevrijding, in juli 1945, schreef Miskotte in zijn Woord vooraf dat, gezien de ‘nieuwe tevredenheden en de oude zorgen’, mogelijk ‘bij velen van de toehoorders van destijds de klankbodem nu ontbreken zou’.

Hopenlijk is die klankbodem vijf en vijftig jaar later nog terug te vinden bij wie aandachtig leest, hoort, en ziet.

Literatuur

Zie al  bij Openbaring 4 en 5

  • M. Barnard, ‘Doop en belijdenis’, in: P. Oskamp/N.A. Schuman (eindred.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk, Zoetermeer 1998, 281-302.
  • K.H. Miskotte, Hoofdsom der historie, Nijkerk 1945.
  • Niek Schuman, Wij zijn de eersten niet, Delft 1985,

Niek Schuman, ‘Openbaring 7: Allerheiligen’, voordracht gehouden op 2 december 1998 op de7e bijeenkomst in een serie van 11 bijeenkomsten ‘Apocalyps. Een serie van leren en vieren’ Bezinningscentrum Vrije Universiteit.