Openbaring 4 en 5: een hemelse (paas?)liturgie

Auteur: Niek Schuman

Openbaring 4 en 5 vormt mijns inziens een intrinsieke eenheid met Openbaring 7. De bijdragen hierover dienen daarom in elkaars verlengde èn als elkaars aanvulling gelezen te worden.

Inleiding

Vóór mij staat een afbeelding uit één van Rome’s oudste kerken, de Santa Prassede. Het is een detail van het prachtige mozaiek, uit de negende eeuw na Christus, dat de apsis van deze basiliek met kleuren vult. Ik zie een groot en levend lam, gevleid op een altaartafel dat tevens wel een troon moet zijn, gezien alle edelstenen die aan de randen aangebracht zijn. Achter die ‘altaartroon’ rijst een verguld kruis op. En eronder ligt een groot perkamenten boek, eveneens afgezet met edelstenen. Dit is het boek met de zeven zegels uit Openbaring 5. Al met al troont het lam dus op dat verzegelde boek, dat tegelijk door hem als het ware bewaakt wordt. En hoe! Want hoe langer ik kijk, hoe meer het mij opvalt dat het lam er eigenlijk bij ligt als een uiterst waakzaam uitziende leeuw.

Naar mijn besef is hier een interpretatie van Openbaring (4 en) 5 afgebeeld, die als trefzeker kan worden getypeerd. In deze bijdrage wil ik dat nader argumenteren, en wel langs de volgende route. Eerst gaat het erom heel de scène van Openbaring 4 en 5 tot in al haar details goed voor ogen te krijgen. Het betreft hier beeldende verkondiging, die dus ook iets in onze verbeelding wil oproepen (I). Vervolgens is het nodig om met nadere informatie die beeldende verkondiging te verhelderen. Bijbelse en enkele na-bijbelse teksten zijn ons daarbij behulpzaam (II). Daarna kunnen we opnieuw de totale scène in ogenschouw te nemen en op zoek gaan naar een mogelijke betekenis ervan, ook in de context van het boek Openbaring als geheel (III). Tenslotte wil ik in een nabeschouwing het accent leggen op Openbaring 4 en 5 als liturgisch drama, mogelijk zelfs als weerspiegeling van een oudchristelijke paasliturgie (IV).

Omdat in feite de scène van Openbaring 4 en 5 voortgezet wordt in Openbaring 7, zal ik een enkele keer verwijzen naar Openbaring 7: Allerheiligen.

I. Eerste waarnemingen

Zeven keer heeft in Openbaring 2 en 3 het afsluitende refrein geklonken van de zeven brieven aan de zeven gemeenten: ‘Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt’. De cyclus van die zeven brieven werd voorafgegaan door het eerste eigenlijke visioen dat de ziener ontvangt, in 1:12-20. In hoofdstuk 4 en 5, valt opnieuw alle nadruk op een visioen. Toch is de scène een totaal andere dan die in hoofdstuk 1. Nù speelt het zich dan ook in de hemel af. Wat nu als visioenen beschreven gaat worden, vormt een ‘boventoneel’ dat een permanente achtergrond zal vormen van al wat zich op aarde afspeelt. Wij kijken met de ziener mee, zonder nog direct bij alles te willen weten wat het ‘betekent’. We kijken mee, zoals we kunnen kijken naar een mozaiek in de Santa Prassede, de Santa Pudenziana of de San Clemente in Rome, de San Appollinare in Classe of de San Vitale in Ravenna…

(Hoofdstuk 4)

We zien een troon centraal staan. Daarop zetelt de Gezetene. Heel zijn verschijning roept blijkbaar sterk de indruk van lichtglans op. Het totaal van troon en de daarop Gezetene wordt omlijst door een kleurrijke regenboog.

Om de troon heen, in twee halve cirkels of misschien in één hele cirkel, staan vier en twintig andere tronen. Daarop zijn vierentwintig oudsten gezeten, gekroond en in witte gewaden. Blijkbaar delen zij in de heerschappij van die ene Tronende daar in het midden.

In dat midden gebeurt van alles. Het is een zeer dynamisch, eigenlijk een ‘geladen’ centrum, van waaruit bliksem en donder komen, alsmede brandende vuurfakkels. Ervóór een spiegelglad, kristalhelder, bijna doorzichtig oppervlak.

Her en der, in het centrum, eromheen en ervóór, is er een uitermate levendige beweging aan de gang. Bij nader toezien gaat het om vier levende wezens met elk zes vleugels. De levendigheid wordt veroorzaakt door die vier en twintig bewegende vleugels, die ook nog eens aan alle zijden bedekt zijn met ogen. Niet alleen trouwens op hun vleugels, maar overal lijken die levende wezens ogen te hebben, van voren en van achteren. De bijzonderheid van dat schouwspel wordt nog vergroot door de gelijkenis die de vier levende wezens oproepen met een leeuw, een rund, een mens en een adelaar.

Er valt niet alleen overweldigend veel te zien. Er valt ook veel te horen: liederen, korte lofzangen. Het zijn de vier levende wezens die de toon zetten, zelfs ‘rusteloos en dag en nacht’. Zij zingen zingen een drievoudig ‘Heilig, heilig, heilig’ toe aan God de Heer, ‘die was en die is en die komt’. Hun lofzang wordt telkens weer gevolgd door huldebetoon van de vier en twintig oudsten, die op hun beurt aan God een drievoudige lofzegging toezingen. Hij immers is waardig ‘de glorie, de eer en de kracht’ te ontvangen. Dit woordje ‘waardig’ zal nog een belangrijke rol spelen in het vervolg.

(Hoofdstuk 5)

Dat begint al met de vermelding van de vol geschreven boekrol, verzegeld met zeven zegels, als een Romeins testament. Deze boekrol ligt in de rechterhand van de Tronende. En de luidkeels gestelde vraag is, wie waardig is om de boekrol te openen en haar zegels te verbreken. Het antwoord is radicaal en opnieuw drievoudig: helemaal niemand, in de hemel niet, op de aarde niet, en onder de aarde niet. Niemand blijkt waardig te bevonden.

Behalve, dus toch, die ene. Het is een vertegenwoordiger van de oudsten die ons mèt de ziener wijst op de leeuw uit Juda’s stam, ‘de wortel van David’. Het meest merkwaardige van heel het schouwspel tot nu toe, toch al uitzonderlijk genoeg, moet niettemin nog komen. Want de leeuw blijkt een lam, een offerlam nog wel. Het staat daar volledig centraal: midden in de troon, midden tussen de vier levende wezens en midden tussen de vierentwintig oudsten. Het lam, dat er weerloos uitziet, zelfs ‘als geslacht’, is niettemin zeer krachtig en volop in leven. Het heeft zeven horens en zeven ogen, die als zeven goddelijke geesteskrachten uitgaan over de aarde.

Het Lam neemt de boekrol in ontvangst. Dàt moment is goed voor een onovertroffen gezongen ritueel, uitgevoerd door de levende wezens en de oudsten. Het is een nieuw lied: ‘Waardig zijt Gij om de boekrol in ontvangst te nemen en haar zegels te openen. Want Gij zijt geslacht en Gij hebt voor God met uw bloed mensen vrijgekocht uit alle stammen en talen en volken en naties!’.

Direct hierop volgt een variant op dit lied, nu uit de duizendvoudige mond van een geweldige menigte engelen, die de kring van levende wezens en oudsten rondom de troon zijn komen verbreden. Dit keer wordt aan de glorie, de eer en de kracht uit de lofzegging van 4:11, daar gericht tot de Tronende, nog een viertal woorden van eerbetoon toegevoegd: ‘de rijkdom, de wijsheid, de sterkte, de lof’. Dit zevental is nu dan ook gericht tot het Lam, die waardig is dit alles te ontvangen.

Tenslotte krijgt het visioen een kosmische dimensie, in die zin dat nu werkelijk ieder schepsel, waar dan ook maar, getuige blijkt te zijn van dit alles. De vijfde en laatste lofverheffing van Openbaring 4 en 5 komt uit aller mond en is gericht tot de Tronende en het Lam samen.

II. Achtergronden

Op veel plaatsen in dit boek over de Apocalyps en de beweging van de apocalyptiek wordt terecht gewezen op passages in canonieke, deutero-canonieke en buiten-kanonieke geschriften, die veel verhelderen van de voorstellingen in het boek Openbaring. Hier ga ik niet verder in op passages uit de zogeheten apocalyptische literatuur, zoals Daniël of de boeken Henoch. Ook bij Openbaring 4 en 5 vormen zulke passages een wezenlijke achtergrond. Dat geldt in het bijzonder voor Daniël 7, over God als de Gezetene en over de Mensenzoon, en delen uit de ‘ethiopische Henoch’ (45-57), over de messiaanse gestalte van de Mensenzoon. In laatstgenoemd apocrief geschrift staat ook het vrij bekend geworden stuk over de vier ‘aangezichtsengelen’ (Michaël, Rafaël, Gabriël en Fanuël) als verpersoonlijking van de vier ‘hoeken’ van de wereld (vergelijk Openbaring 7:1). Mogelijk herinneren de vier levende wezens uit onze scène aan deze vier speciale gezanten van God.

Wel noem ik nu enkele andere bijbelse plaatsen, die op zichzelf niet direct uit de apocalyptische traditie stammen. Zo is in elk geval het roepingsvisioen van de profeet Ezechiël heel verhelderend voor een goed begrip van de scène in Openbaring 4 en 5 (zie speciaal Ezechiël 1:4-14). Ezechiël ziet een ‘zonnewagen’, en ook daar bevinden zich midden tussen alle vuurverschijnselen vier levende wezens, met gestalten als die wij nu kennen uit Openbaring 4. Ook is er in Ezechiël 1:22 sprake van een doorzichtig gewelf, hier overigens als een uitspansel aan de bovenkant, niet als een vloer. Gemeenschappelijk evenwel aan beide scènes is de overweldigende indruk van licht, leven en beweging.

Een ander profetisch roepingsvisioen is al even belangrijk als achtergrond van wat ons in Openbaring 4 en 5 getoond wordt. Het staat beschreven in Jesaja 6, aan het begin van de ‘memoires’ van deze profeet. Hij krijgt, in de tempel als huis Gods, een visioen waarin jhwh als echte koning optreedt, gezien de hoge titel ‘heer van de machten, Jhwh Seba’oth’. Jesaja ziet een ‘hoog verheven troon’, die de grenzen van het tempelgebouw verre overschrijdt. Ook hier is sprake van levende wezens, de ‘serafs’ (afgebeeld boven de ark, die de goddelijke troon verbeeldt). Zij zijn het die luid het ‘Heilig, heilig, heilig!’ roepen. In I Henoch 39 keren zij terug in de gestalte van ‘de nooit slapenden’, ofwel engelen, die dag en nacht de lofzang gaande houden en zingen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer der geesten!’ Geen wonder dat zij ook in Openbaring 4:8 weer worden vermeld: het gaat steeds opnieuw over de lof van het goddelijk koningschap (zie verder bij III).

Een derde passage die mede kleur zal hebben gegeven aan de beschrijving van het visioen in Openbaring 4 en 5, is die op zichzelf toch al bijzondere beschrijving in Exodus 24 van de plechtige verbondssluiting op de berg Sinaï. Dat is de berg waar God troont. Vandaar geeft Hij zijn onderricht aan Israël als ‘een koninkrijk van priesters, een heilig volk’ (vergelijk Exodus 19:6 met Openbaring 5:10). In Exodus 24:9-11 staat dan hoe Mozes de berg beklimt in gezelschap van Aäron, Nadab en Abihu, èn (anders dan vers 2 deed vermoeden) van Israëls zeventig oudsten. En dan: ‘Zij zagen de God van Israël. En het was alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf zo helder’. De overeenkomst van Openbaring 4:6 met deze curieuze notitie is onmiskenbaar, nog afgezien van de al vermelde zinspeling in 5:10 op Exodus 19:6.

Deze drie verwijzingen naar gedeelten uit het Oude Testament komen mijns inziens vooral hierin samen, dat zij iets van een indruk oproepen van God als de Heilige, als Koning der koningen, en van de ‘wereld’ van het goddelijke als een wereld die overstelpend licht is en vol van overweldigend leven. Het visioen van Openbaring 4 en 5 doet hetzelfde. Diamant, sardius, vuurfakkels, kristallen vloer als een glazen zee, dat is een en al licht. En het leven wordt verbeeld door de vier levende wezens met al die ogen op hun zes vleugels. Zij staan voor alwat leeft, in de breedte van de vier windstreken, en in de hoogte en diepte van hemel en aarde. Hun beweging en zang wordt telkens overgenomen door de vier en twintig oudsten.

Het gaat echter niet om een verder vrijblijvende schets van een hemels visioen. Er staat iets beslissends op het spel. Eigenlijk wordt dat in deze scène al in een vroeg stadium aangegeven, uiteraard door middel van een symbolisch gegeven. De regenboog die de troon omgeeft, en daarmee alles wat verder ‘ingetekend’ wordt, roept directe reminiscentie op aan Genesis 9:12-17. Hij staat daar symbool voor Gods belofte, dat de aarde nooit meer aan het verderf zal worden prijsgegeven. Toch is het juist dat wat in vele angstwekkende visioenen van het boek Openbaring lijkt te gebeuren. Althans, dat dreigt zo te gaan. Wat er werkelijk gaat gebeuren, en wat het zal uitwerken, staat beschreven in de verzegelde boekrol van 5:1. Dat we daarbij inderdaad aan iets dergelijks moeten denken, wordt duidelijk tegen de achtergrond van Ezechiël 2:9 en 10. Die passage maakt deel uit van het al genoemde roepingsvisioen. De profeet moet hier de boekrol opeten (het ‘woord in de mond nemen’) die aan voor- en achterzijde beschreven is met jammerende klaagzangen.

Het beslissende moment nu van onze scène hier in Openbaring 5 is kennelijk die vraag van vers 2: ‘Wie is waardig de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?’. Even beslissend is het antwoord dat door een van de oudsten gegeven wordt: ‘De leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen!’. Dit nu maakt het nodig een antwoord te geven op de vraag die nog is blijven liggen ter verheldering: wie zijn die vier en twintig oudsten?

Opnieuw zullen we eerst moeten zoeken naar mogelijke oudtestamentische achtergronden. Deze zijn in dit geval niet zo evident als de boven genoemde voorbeelden. Men heeft niettemin wel gewezen op de beschrijving van de tempelbouw en van de diverse tempeldiensten in de boeken Kronieken. Inderdaad is er in I Kronieken 24 sprake van vier en twintig priestergeslachten die aangewezen worden om ‘het huis des heren’ binnen te mogen gaan. Direct daarop volgend, in I Kronieken 25, gaat het over de zangersgilden voor de tempel. In totaal worden vier en twintig groepen opgesomd, steeds twaalf man sterk, die in de tempel hun dienstwerk mogen verrichten bij ‘cimbalen, harpen en citers’.

Het getal vier en twintig stemt uiteraard overeen met dat in Openbaring 4 en 5. Ook kunnen we met reden wijzen op het zingen van deze vier en twintig, waarbij elk ook een citer hanteert (5:8). Toch is dit niet geheel bevredigend. Dat komt vooral door de vermelding, al in 4:4 en nog eens in 4:10, van de kronen op het hoofd van deze vier en twintig oudsten. Zij worden daarmee immers getekend als mede-regeerders met Die op de troon is gezeten. Anders gezegd, hun functie is niet allereerst een cultische (al is het dat óók). Om die reden zoekt men het vaak in een andere richting. Meestal wijst men dan, met veel reden, op het boek Openbaring zelf. In 21:12 en 14 wordt het nieuwe Jeruzalem beschreven, ook hier weer als een geheel transparante, lichtgevende stad. En dan blijken op de twaalf poorten en op de twaalf fundamenten van die stad twee keer twaalf namen geschreven te staan. Het zijn respectievelijk de namen van Israëls twaalf stammen en die van de twaalf ‘apostelen van het Lam’. Welnu, ligt het dan niet voor hand om ook in Openbaring 4 en 5 aan die twee keer twaalf te denken?

Ik kan met die uitleg vrede hebben. Ze voegt een diepzinnige, veelbetekenende dimensie toe aan de betekenis van de scène als geheel. Zo zal ik het in sectie III ook naar voren brengen. Niettemin zoek ik het in een wat andere richting. Naar aanleiding van Openbaring 7, respectievelijk 4-8 en 9-17, ga ik toch uit van een onderscheid tussen de vier en twintig oudsten als ‘geheel’ aan de ene kant, de twee keer twaalf representanten van oude en nieuwe verbond aan de andere kant. Daar in Openbaring 7 komen zij als het ware pas voor het eerst bij elkaar, die stammen van Israël (twaalf keer twaalf duizend) en een ontelbare menigte uit àlle volken. Het is dan ook één van de oudsten die in 7:13 gaat uitleggen om wie het hier gaat. En vanaf dàt moment worden zij, om zo te zeggen, aan het geheel van de scène toegevoegd. Hier in Openbaring 4 en 5 is dat nog niet zo ver. Daarom houd ik het er vooralsnog op, dat de vier en twintig oudsten of koningen hier staan voor rechtvaardigen en heiligen uit geheel Israël.

Er is een liturgie-historisch zeer belangrijk geschrift dat laatstgenoemde opvatting aannemelijk maakt. Ik doel op de ‘Apostolische Constituties’, daterend uit circa 380 na Christus, maar met veel materiaal dat aanzienlijk ouder is. Ook dat van de ‘Didachè’ bijvoorbeeld, gedateerd kort na het boek Openbaring, is in dit verzamelwerk opgenomen (Schuman 1998, 35v.). Op een aantal plaatsen nu in deze Apostolische Constituties, vinden we een opsomming van oudtestamentische patriarchen, gidsen, rechtvaardigen, die in een liturgische context optreden als belichaming en getuigen van de heilsgeschiedenis. Het aantal expliciet genoemde namen varieert, evenals het verband waarin ze worden genoemd. Dat kan de zegening van de sabbat en daarop volgende dag des Heren zijn (in VII: 37 en 38). Het kan de bisschopswijding betreffen (in VIII:5). Het kan ook om een eigenlijke prefatie gaan van een groot eucharistisch gebed, metterdaad uitlopend op het ‘Heilig, heilig, heilig’ en voortgezet met de gedachtenis van Christus als het lam dat voor ons is geslacht (in VIII: 12, 4-51). Al die keren vinden we een opsomming van rechtvaardigen uit het oude verbond, als getuigen van Gods grote daden. Zulke opsommingen, maar dan niet in specifiek liturgisch kader, staan overigens ook al in I Maccabeeën 2, Jezus Sirach 44-49, en niet te vergeten in het bekende Hebreeën 11. In sectie IV kom ik nog even op deze passages terug, in de volgende bijdrage wat uitvoeriger.

III. Betekenis

Het is in zijn algemeenheid goed te om beseffen dat we vaak niet van ‘de’ betekenis van een bijbeltekst of verhaal of andersoortige beschrijving kunnen spreken. Zeker, er zal zoiets als een ‘eerste’ betekenis geweest zijn, een betekenis die de auteur voor ogen gestaan heeft en die voor eerste lezers ook duidelijk geweest kan zijn (wat nog niet eens altijd zeker is). Soms kunnen we de waarschijnlijkheid van zo’n eerste betekenis wel op het spoor komen, soms moeten we het laten bij een vermoeden ervan. Geldt dit al in het algemeen, des te sterker is dat het geval bij die altijd weer geheimzinnige beeldtaal van de apocalyptische geschriften.

Wie heel analytisch Openbaring 4 en 5 nog eens doorleest (beter nog: hardop voorleest), zal merken hoe sterk hier de beelden over elkaar heen glijden. Ik denk dat we moeten zeggen: zo is het ook met ‘de’ betekenis. De ene verwijzing glijdt over de andere heen; soms komen er verschillende samen, soms lossen ze elkaar af. Eigenlijk is het verrassend om te zien hoe duidelijk we niettemin in een soort dramatische voortgang worden op- en meegenomen.

We kijken vol verbazing rond in een grote troonzaal; de vorm daarvan is die van een basiliek: gebouwd in de lengte. De vloer is spiegelglad en glanzend. Onze blik wordt als vanzelf naar het centrum van de troonzaal geleid, waar we een grote, complex samengestelde troon zien. Op de troon zetelt de Gezetene, de heerser, God der goden. De troon zelf bestaat uit een geheel van vurige fakkels en vier levende wezens vol ogen en beweging. Om de troon heen zitten op vier en twintig tronen de vier en twintig mede-heersers, gekroond en in witte gewaden gehuld. Om dat geheel heen staat, kleurrijk, de regenboog. Hoewel het er bij ons op paleis Noordeinde anders toegaat, kunnen we ons toch wel iets hierbij voorstellen. Die hemelse troonzaal weerspiegelt èn overtreft tegelijk de keizerlijke troonzaal aan het einde van de eerste eeuw na Christus. Anders gezegd, wat hier wordt getoond aan het begin van een serie visioenen over de periode van het keizerlijke Rome, legt alle nadruk op het goddelijk koningschap over de wereld. Zo vat ik het eerste deel van het visioen samen, in Openbaring 5.

Wat de aard van dat koningschap is, blijkt pas bij nader toezien, in Openbaring 5. Het boek dat de verschrikkingen èn het laatste geheim van de wereldgeschiedenis bevat, kan alleen door het Lam ter hand worden genomen. De wereldgeschiedenis is alleen in zijn handen veilig. En hier wordt in unieke beeldtaal het messiaanse geheim tot in zijn diepste grond gepeild. Het lijkt mij niet overdreven om te zeggen, dat dit het meest eigene, het proprium, is van wat Tenach en Evangelie, Oude en Nieuwe Testament hebben te zeggen. Veel daarin is mooi, goed, diepzinnig, op ethisch niveau, en wat al niet.Toch kunnen we dat onmogelijk ook allemaal even uniek noemen. Dan zouden we naar mijn overtuiging tekort doen aan wat ook elders in religieus opzicht geboden wordt. Maar bij deze thematiek krijgen we zicht op het meest karakteristieke van heel de bijbelse boodschap. De leeuw uit de stam van Juda is het Lam dat daar staat ‘als geslacht’, maar niettemin of juist zò vol van macht (de horens) en leven (de ogen).

De leeuw die een weerloos lam is, en dat Lam bij wie de wereldgeschiedenis in veilige handen is, dat is een thema dat mèt variaties als een (dunne) rode draad door heel de Schrift heenloopt. Dat die dunne draad van de heilsgeschiedenis al direct bij Abraham en Sara lijkt te breken. Dat dit zich herhaalt bij Isaäk en Rebekka en bij Jakob en Rachel. Dat het dan telkens toch weer ternauwernood dóórloopt. Dat op cruciale momenten in Israëls geschiedenis hetzelfde dreigt te gebeuren, zodat die kwetsbare heilsgeschiedenis het af lijkt te leggen tegen de machten van de wereldgeschiedenis. Zie alleen maar hoe het met toekomstvisies gesteld was toen de profetie werd geboren in de figuur van Samuël, geboren uit een onvruchtbare: ‘Het woord van de heer was schaars in die dagen, en visioenen waren niet talrijk’ (I Samuël 3:1). Of weer veel later, na de ballingschap, als het eerste enthousiasme gesmoord is in de weerbarstige realiteit. Is er nog toekomst, is er een weg om te gaan, en hoe dan? Het typisch profetische antwoord is: ‘Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de heer van de machten’ (Zacharia 4:6).

Hoe juist deze thematiek in de verkondiging van het Nieuwe Testament voorop staat, behoeft geen uitvoerige toelichting. Het kind dat uit Maria wordt geboren ‘door de Geest’ zal een weg gaan die van alle kracht en geweld afziet. Het einde, of beter misschien: het doel van die weg is identiek met dat waarop Openbaring 5 doelt met het beeld van de leeuw die het Lam is. Theologisch gesproken: het is de Gekruisigde die leeft aan wie hier alle volmacht in hemel en op aarde gegeven wordt (vergelijk Matteüs 28:18). In zijn handen is de schepping ìn en ondanks de wereldgeschiedenis met al haar geweld veilig gesteld.

Dit moet wel de kern zijn van wat in Johannes’ visioen geschouwd en aan de messiaanse gemeente doorgegeven wordt. Dat het de kern is, wordt in de mise en scène van het geheel voor ogen gesteld in Openbaring 5:6 en 7. Want hoe kan nu eigenlijk het Lam afgeschilderd worden ‘in het midden van de troon en van de vier levende wezens en midden tussen de oudsten’? Dat kan alleen wanneer we beseffen dat die vier levende wezens, die representanten van heel de schepping, componenten van heel die complexe troon zijn, en dat het Lam gesitueerd wordt op die troon (vergelijk R.G. Hall 1990). Het wordt niet echt duidelijk hoe we ons de relatie tussen de Tronende, de Gezetene, en het tronende Lam moeten indenken. De suggestie is aanwezig, dat ook hier de beelden over elkaar heenglijden of in elkaar overvloeien, en dat op die wijze het Lam een moment de plaats inneemt van de Tronende zelf. In dat geval kunnen we de laatste lofzang in Openbaring 5:13 ook zo lezen: ‘De op de troon Gezetene, het Lam, zij de lof en de eer en de glorie en de kracht in de eeuwen der eeuwen, amen!’. En ik herinner aan het mozaiek in de Santa Prassede die vóór mij afgebeeld staat: het Lam als een leeuw op een altaartroon vol schittering, gevat in een boog van smaragd…

IV. Liturgisch drama

Om bij voorbaat misverstand te voorkomen: ‘drama’ duidt hier niet op een tragisch verloop van de handeling, maar op het bijna letterlijk ‘speelse’ karakter van het visioen dat getoond, het ‘spel’ dat opgevoerd wordt.

Ik ben ervan overtuigd geraakt, dat we in het boek Openbaring meermalen stuiten op fragmenten van liturgische aard. Wie simpelweg door het boek heenbladert, zal het al gauw merken: her en der komt men hymnische uitspraken tegen, kortere of langere lofzangen, alsmede wat we nu in de liturgie ‘antifonen’ en ‘responsen’ noemen. Meer in het bijzonder is dat het geval op plaatsen in het boek waar een beslissende gebeurtenis beschreven gaat worden of zojuist beschreven is. Het eerste voorbeeld daarvan vormt de scène in Openbaring 4 en 5 zelf: zij gaat vooraf aan de opening van de boekrol met de zeven zegels. Voor het laatste, dus zevende zegel door het Lam wordt geopend, is er opnieuw een moment dat een sterk liturgisch karakter draagt: Openbaring 7 (zie daarover de volgende bijdrage). Het zevende zegel waaiert vervolgens uit in de zeven bazuinen. Op dat moment, vlak voordat na de zevende bazuin de beestachtigheid van het kwade wordt getekend, wordt onze blik opeens weer even verplaatst naar de hemelse troonzaal. Daar wordt natuurlijk weer gezongen: Openbaring 11:15-19. Als daarna de ultieme zeven plagen getekend worden, inclusief de definitieve val van het goddeloze Babylon, klinken vóór en nà weer lofzangen die nu ook qua vorm complete hymnen zijn geworden: respectievelijk Openbaring 14:1 – 15:4 en Openbaring 19:1-10.

Bij deze vaststelling zouden we het kunnen houden. Toch wil ik nog een stapje verder gaan, overigens in het besef dat het om een vooralsnog onbewijsbare hypothese gaat (vergelijk Feuillet 1958; Prigent 1964). De basis daarvan is op zichzelf onomstreden: wat we in nieuwtestamentische geschriften tegenkomen aan liturgische fragmenten, zal een plaats gehad hebben in de liturgie van de (verschillende) gemeenten die we achter die (onderscheiden) geschriften in contouren kunnen zien verschijnen. Dat zal dan ook gelden voor die Klein-Aziatische gemeente(n) achter het boek Openbaring, en dus ook voor de hoofdstukken 4 en 5 van dat geschrift. Dat wil zeggen: de vijf hymnische momenten in dat gedeelte gaan terug op liturgische zangen uit een of meer Aziatische gemeenten van circa 95 na Christus.

Opnieuw: hierbij zouden we het dus kunnen laten. Maar dan laten we ook bij voorbaat een liturgisch dramatische opbouw van heel de scène buiten beschouwing. Dàt er zo’n opbouw in te bespeuren valt, hebben we hierboven al meermalen gezien en het komt nog eens tot uiting in de lofzangen zelf. De eerste twee, in 4:8 en 11, zijn expliciet gewijd aan en gericht tot God als Wereldheerser en Schepper. De derde en vierde evenwel, in 5:9 en 12, zijn gericht tot en gewijd aan het Lam (formeel dus in de volgorde a-b-b-a). De laatste, in 5:13, bezingt God en het Lam samen, respectievelijk (zie hierboven) als Eén. De dramatische ontwikkeling per se is evident. De vraag is alleen nog, of dat ook een bepaalde liturgische voortgang weerspiegelt.

De hypothese die mij aannemelijk voorkomt, is nu dat dit inderdaad het geval is, en wel als een viering van Christus als paaslam. In dat geval komen we uit bij elementen van een vroegchristelijke paasviering als ‘model’ voor het visioen van Openbaring 4 en 5. Het blijft een hypothese. Ook zonder die is de betekenis van deze scène vol hemelse liturgie zeer groot, ook in het geheel van de compositie van de Apocalyps: vóór het geweld in de wereldgeschiedenis losbarst. De hypothese verdiept die betekenis wel. Hoewel we weinig details kennen van de wijze waarop in dat vroege begin Pasen gevierd werd, beginnen de contouren ervan toch enigszins zichtbaar te worden. Dit is het voornaamste daarvan: dat het nog in sterke mate aansloot bij de joodse pascha-viering, maar in de aanwijzing en aanbidding van Christus als het paaslam haar culminatiepunt vond. (Het wordt ook steeds waarschijnlijker dat de inzetting van het avondmaal, zoals de eerste drie evangelisten ons die overleveren, met deze jaarlijkse paasviering was verbonden, en dus nog niet met de wekelijkse breking van het brood; zie met name Rouwhorst 1992.)

Er zijn zeker twee aanknopingspunten voor de toepassing van deze hypothese op Openbaring 4 en 5. Het eerste is de nu al vaker genoemde voortgang binnen de totale scène. Deze loopt pas na een lang voorstuk (Openbaring 4) uit op de climax: dat het Lam plaats neemt op de troon (Openbaring 5). Tot vandaag de dag toe kent elk eucharistisch gebed een voorstuk dat de lof bezingt van God als Schepper en Onderhouder. Deze ‘prefatie’ loopt dan altijd uit op het driemaal ‘Heilig’ (vergelijk hier in 4:8). Hoe diep de wortels hiervan in de liturgiegeschiedenis reiken, is nog steeds niet bekend. Wel dat deze tot ver in de eerste eeuwen na Christus teruggaan. Maar afgezien van zulk een meer formele prefatie en het daarop volgende Sanctus, kennen we wel geschriften uit de tweede eeuw na Christus waarin de lijn van oudtestamentische heilsdaden van God wordt doorgetrokken naar Christus. Deze is dan eigenlijk al steeds als ‘type’ aanwezig in allerlei gebeurtenissen, thema’s en personen uit het Oude Testament. Hij is voluit present als het Lam Gods dat de zondelast van de wereld draagt. Deze gedachte vindt men feitelijk al terug in de Brief aan de Hebreeën. Ze komt volop ter sprake in de befaamde paaspreek van Melito van Sardes (de gemeente die in Openbaring 3:1-6 wordt genoemd).

Deze paaspreek – in feite een retorisch opgebouwd tractaat – wordt gedateerd omstreeks 170 na Christus, dus al met al wel meer dan zeventig jaar na de Apocalyps. Op de structuur van Melito’s paasverhandeling kan ik hier niet ingaan (zie S.G. Hall, 1979, XXII-XXVII). Fragmenten eruit wil ik in de volgende bijdrage citeren, naar aanleiding van Openbaring 7. Hier beperk ik mij tot enkele korte notities terzake. Telkens als Melito spreekt over de relatie tussen het pascha uit Exodus 12, het bloed van het geslachte lam dat de Israëlieten vrijwaart van de dood, en de uittocht uit het machtige Egypte, trekt hij die lijn door naar Christus als het paaslam. ‘Hij immers, zelf als een lam geofferd en geslacht als een schaap, kocht ons vrij van de knechtschap in deze wereld, zoals uit het land Egypte… ‘(67:1-4). Later staan er hymnische regels waarin Christus zelf spreekt. Zij leggen alle nadruk op Christus als het paaslam, en zo als ‘uw licht, uw leven’.

Het tweede aanknopingspunt is met het vorige nauw verbonden. Hierboven in sectie II heb ik gewezen op de series oudtestamentische namen in I Maccabeeën 2, Jezus Sirach 44-49, Hebreeën 11, alsmede in de na-bijbelse Apostolische Constituties, daar in een liturgisch kader. Speciaal die uit Boek VIII, hoofdstuk 12, lijken de richting te wijzen waarin we het kunnen zoeken als het gaat om plaatsbepaling en functie van de vier en twintig oudsten in Openbaring 4 en 5. Daar wordt in een lange anamnese van Gods grote daden herinnerd aan vele getuigen van weleer. Aan Abel en zijn offer, aan Seth, Enos en Henoch, de ‘oudvaders’; aan Noach, ‘de rechtvaardige’, en zijn acht levensgezellen; aan Lot, ‘de heilige’ (!); aan Abraham en Melchizedek; aan Job, ‘uw knecht’; aan Izaäk als drager van de belofte; aan Jakob, de vader van de twaalven, en aan Jozef in Egypte; en dan nog aan Mozes, Aäron en Jozua.

Waar het nu om gaat in Openbaring 4 en 5 (en 7!), is die traditie om in een liturgisch kader grote oudtestamentische figuren op te voeren als getuigen van Gods grote daden, de magnalia Dei. Het zijn naar mijn overtuiging figuren als deze die we hier als ‘koningen en priesters’, gekroond en in witte gewaden, zien meedoen in de hemelse liturgie. Deze loopt tenslotte uit op de aanwijzing van het Lam als degene op wie alle handelen Gods gericht is geweest. Om die reden meen ik dat we hier met de echo van een paasliturgie van doen zullen hebben. Zò voluit zal deze ook toen niet gevierd zijn. Wat wèl werd gevierd, groeit in dit visioen uit tot hemelse volkomenheid. En de functie daarvan zal geen andere geweest zijn dan van alle apocalyptische geschriften èn van alle paasvieringen beide: troost en perspectief van het ‘reeds’ in de realiteit van het ‘nog niet’.

Literatuur

  • Constitutiones Apostolicae, ed. M. Metzger, Les Constitutions Apostoliques I-III, Parijs 1985-1987; met vertaling en annotaties.
  • A. Feuillet, ‘Les vingt-quatre veillards de l’Apocalypse (1)’, Revue Biblique 65 (1958) 5-32.
  • R.G. Hall, ‘Living creatures in the midst of the throne. Another look at Revelation 4,6’, New Testament Studies 36 (1990), 609-613.
  • J. de Heer, De Apocalyps van Johannes. Hemelse ontmanteling van aardse machten, Zoetermeer 1998.
  • K.-P. Jörns, ‘Proklamation und Akklamation. Die antiphonische Grundordnung des frühchristlichen Gottesdienstes nach der Johannesoffenbarung’, in: H. Becker/R. Kaczynski (Hgg.), Liturgie und Dichtung. Ein interdisziplinäres Kompendium I, St Ottilien 1983, 187-207.
  • Melito van Sardes, Peri Pascha, ed. S.G. Hall, Oxford 1979; met vertaling en annotaties.
  • J. Nieuwenhuis, Het laatste woord. Openbaring van Johannes voor de gemeente van nu, Kampen 1998.
  • N.A. Schuman, ‘Vertrekpunten’, in: P. Oskamp/N.A. Schuman (eindred.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk, Zoetermeer 1998, 23-38.
  • P. Prigent, Apocalypse et liturgie, Neuchâtel 1964.
  • G. Rouwhorst, De viering van de eucharistie in de vroege kerk, Utrecht 1992.

Niek Schuman, ‘Openbaring 4 en 5: een hemelse (paas?)liturgie’, voordracht gehouden op 28 oktober 1998 op de 6e bijeenkomst in een serie van 11 bijeenkomsten ‘Apocalyps. Een serie van leren en vieren’, Bezinningscentrum Vrije Universiteit