Liturgie en taal: Ook woorden hebben hun geheim

Auteur: Niek Schuman

I. Prolegomena: vele “talen”

Motto: de opmerking van pater J. van Kilsdonk, die hij ooit maakte na een viering in de Dominicuskerk: “Er is geen beter theater dan goede liturgie”.

Liturgie kent vele talen. Het is belangrijk om dit vanaf het begin als perspectief èn als reden tot relativering voor ogen te houden. Onder “liturgie” versta ik hier kortweg de eredienstelijke vormgeving van zingeving, of korter nog: de uitbeelding van verbeelding (van dat wat geen oog heeft gezien). Die uitbeelding kent, zoals we wel weten, vele gestalten, in eigen tradities en daarbuiten, in ons deel van de wereld en elders. Met de “talen” bedoel ik alle mogelijke uitdrukkingsvormen waarmee die uitbeelding gestalte krijgt. Uit de aard van de zaak is er allereerst de “taal” van de gesproken woorden, en dìe dan weer in een eigen diversiteit, zoals gebed, preek, gesprek, verhaal, bibliodrama.
Daarnaast is er de taal van symbolen, van zaken die een eigen zeggingskracht hebben, omdat ze verwijzen naar een inhoud die hun uiterlijke verschijningsvorm te boven gaat (kaarsen, avondmaalsgerei, doopwater). En er is de taal van geuren en kleuren, van gewaden en beweging, van ruimte en muziek, vaak het meest aansprekend in combinatie met taaluitingen van de eerder genoemde categorieën.

Inderdaad, liturgie kent vele talen. Dat biedt allereerst een verruimend perspectief: we hoeven niet altijd met één “talige” uitdrukkingsvorm te zeggen wat er te zeggen is. Er zijn zo veel meer wijzen van spreken. Tegelijk betekent het een relativering: de wijze waarop wij het zelf zeggen, is echt niet de enig denkbare. Het kan ook anders. En in de praktijk van de wereldkerk gebeurt het metterdaad ook op heel verschillende wijze. Soms is het verbazend dat er toch nog altijd zo veel gemeenschappelijks in valt te ontwaren! Ik geef enkele heel summiere karakteristieken van liturgische tradities. Ze zijn uitsluitend bedoeld om de gedachte te bepalen.

  • Oosters-orthodox: “Das Wort als Drama” (R. Volp), inderdaad dramaturgisch getint: er gebeurt veel tegelijk, en wat er aan woorduiting en symbolische handeling gebeurt, heeft iets uitbundigs.
  • Rooms-katholiek: “Das Wort im Ritus” (weer R. Volp). De nadruk ligt op een ritueel waarin het woord meer of min performatief de weg van het teken baant: “Hierbij…
  • Anglikaans-katholiek: er ligt een sterk accent op zorgvuldige, indien mogelijk meerstemmige zang, en in het algemeen op stijl in de “uitvoering” van onderdelen van de dienst.
  • Hervormd-gereformeerd: vanouds was er die nadruk op de eigenlijke woordbediening, zowel in de preek als in de didactische formulieren bij doop, avondmaal, huwelijk, ordinatie. De gemeentezang vormt een onmisbaar deel van het geheel (woord-antwoord).
  • Quakers: hier ligt het accent juist niet zozeer op de woorden als wel op de innerlijke spiritualiteit, de profetische ingeving als uiting van beleving.
  • Charismatische gemeenten: kenmerkend is het vrije woord van elk-een. Het is de Geest die de woorden te binnen brengt aan wie zich daarvoor open stelt.
  • Evangelische gemeenten/groepen: hier is de eredienst nòg meer toegespitst op persoonlijke getuigenissen. Opvallend ten aanzien van de liederen: men zingt weinig psalmen.
  • Latijns-Amerikaanse, Afrikaanse of Koreaanse (basis)gemeenten: ook hier komt de kerkganger zelf aan het woord, sprekend en zingend. De liturgie is tegelijk traditioneel èn gericht op kritische, contextueel betrokken “herlezing” van bijbel en traditie.
  • Zelf, met welke traditie we ook het meest vertrouwd zijn, kennen we de diversiteit van erediensten: in reguliere parochies, in ziekenhuizen, in penitentiaire inrichtingen, in verzorgings- en verpleeghuizen. We houden kinderdiensten, jongerendiensten, huisdiensten, vrouwendiensten. We onderscheiden hoofddiensten, leerdiensten, gebedsdiensten (vooral vespers) of projectdiensten (thema’s, akties, en dergelijke).

Zulk een diversiteit vraagt om verscheidenheid van vormen en taal(gebruik).

II. Geschiedenis als spiegel

Al in de vroegste periode van de kerk is er sprake van (dit keer letterlijke) taalverschillen. Naast het Hebreeuws als taal van Mozes en de profeten (de kerk begon binnen de synagogale verbanden!), is er dan al het Aramees als gesproken volkstaal, en steeds meer ook het hellenistisch Grieks. Dat laatste was bovendien al de taal van de Septuaginta. Het wordt nu ook die van de apostolische geschriften en van de evangelieën; het werd daarmee zoiets als “openbaringstaal”.

Daarnaast komen er voor de christelijke traditie en liturgie in groeiende mate heel andere talen zicht, in die delen van de wereld waarin het christendom zich gaat nestelen. Ik noem het Armeens, het Syrisch, het Koptisch, en uiteraard het Latijn, al is dat niet veel eerder dan pas vanaf ongveer 350 na Christus in de westelijke wereld tot taal van de liturgie uitgegroeid. Toch moeten we beseffen dat ook dan, of juist dan, voor velen zal hebben gegolden dat de taal van hun dagelijks leven een heel andere was dan die in het grootste deel van de liturgische bijeenkomsten. Overigens, weer niet in heel de dienst en ook niet in alle typen van dienst. Want bij de preek in de “hoofddienst”, of bij een speciale doopdienst, bleef de volkstaal in gebruik (evenals in de catechese). Voor bepaalde liederen zal dat ook hebben gegolden.

Een belangrijke nieuwe fase werd ingeluid door de missionarissen van de oosterse wereld, in het bijzonder Methodius en Cyrillus: Slavische talen worden dragers van het evangelie en van de liturgische vertaling en verbeelding daarvan. Zo ontstond het “kerkslavisch”, dat intussen weer niet in het dagelijks verkeer werd gesproken door gelovigen in Bulgarije of Rusland of Servië… . Iets soortgelijks gebeurde in dat deel van de oostelijke wereld waarin het allemaal begonnen was. Het Grieks bleef de kerktaal, maar voor het overige sprak men diverse eigen, “lokale” talen. Dit alles betekent: de juist om wille van de verstaanbaarheid ontstane liturgische taal (Latijn, Kerkslavisch, Grieks) werd tot rituele taal, en onderging daarmee een zekere verstarring, gelijk op met veranderingen in en uitbreiding van de volkstalen.

De rooms-katholieke kerk na Trente handhaafde het Latijn in de liturgie, maar accepteerde tegelijk heel wat volkstaal in catechese, biecht of ziekenzalving, en in vieringen van doop en huwelijk. In andere delen van de wereld was dat nog sterker het geval, op instigatie van de missionarissen. Na Vaticanum II is, zoals bekend, de vrijheid op dit punt veel groter geworden, ook voor de eigenlijke eucharistievieringen.

In de reformatorische kerken is een en ander vanaf het begin geheel anders geweest (bijbelvertalingen). Het accent ging vallen op het gehéél van de liturgie als “performatief” taalgebeuren. Immers: “Predicatio verbi Dei verbum dei est” (Confessio Helvetica) Let wel: “predicatio” is meer dan alleen de preek; het omvat de dubbele beweging van de liturgie als Woord en antwoord. Overigens bleef Luther openstaan voor het gebruik van het kerklatijn, ook toen hij zelf na de Formula Missae van 1523 de Deutsche Messe van 1526 gepubliceerd had (Berger, 763). Wel vond er een enorme uitbreiding plaats van liederen in de volkstaal. Bij Calvijn en de zijnen kreeg de volkstaal een voorname plaats in de onderwijzende delen van de liturgie, zoals bij doopbediening en avondmaalsviering.

Nadat er in de tussentijd terzake niet echt heel veel meer veranderd was, ging de liturgische beweging in onze eigen twintigste eeuw op zoek naar voorreformatorische liturgische tradities in het algemeen, en meer in het bijzonder naar die onderdelen van hoofddienst die sterk gereduceerd of zelfs verdwenen waren. Ik denk hierbij aan rubrieken als kyrie en gloria en, dat vooral, aan de echt eucharistische component van de eredienst: de zegenende dankzegging.

Gelijk op daarmee ging de zoektocht naar de geëigende taalmiddelen daarvoor. Denk bijvoorbeeld aan de explosie (in elk geval kwantitatief) van “het nieuwe lied” (schriftliederen, gezangen op de “adem van het jaar”, enzovoort). Er is meer in het bijzonder die groeiende hoeveelheid aan liturgische handreikingen voor diverse gelegenheden. En er is dan nu, zeer recent, het Dienstboek – een proeve, met een schat aan tekstmateriaal en muzieknoteringen, heel divers in zijn gesproken en gezongen taaluitingen. Daarnaast wordt hard gewerkt aan een nieuwe, ook andersoortige bijbelvertaling, met een meer doorzichtige typografie en kolometrie: de Schrift kan in “adem-eenheden”, worden gelezen.

III. Verscheidenheid van taalvelden

Bij discussies over het taalgebruik in de liturgie, juist ook naar aanleiding van de daarnet genoemde nieuwe(re) uitgaven, is het mijns inziens van belang om enkele onderscheidingen aan te brengen. Alleen dan maken we het elkaar en anderen mogelijk om de nodige variatie in liturgische taal te accepteren en te stimuleren.

In de eerste plaats: er zijn verschillende typen van eredienst mogelijk en zelfs wenselijk. Daarmee hangt verscheidenheid van uitdrukkingsvormen samen. Anders gezegd: verschillende typen van dienst kunnen en moeten zich afspelen op hun eigen, onderling verschillend taalveld. Hier valt te denken aan wat het Dienstboek (evenals het handboek De weg…) noemt: diensten van het klassiek-gereformeerde of het oecumenisch-protestantse type. Daarnaast zijn er de leerdiensten, de meditatieve gebedsdiensten, of speciale diensten van allerlei aard, samenhangend met markeringen van levensruimte en levenstijd.

Er zijn vervolgens binnen de hoofddienst op zondagen en feest- of gedenkdagen verschillende rubrieken, die eveneens elk om een eigen taalveld vragen. Ik noem er enkele:

– Een gloriatekst of glorialied, lofzeggingen en dankzeggingen in de gebeden, vooral in de avondmaalsliturgie, of de daarbij behorende vaste gezangen (“Heilig, heilig, heilig… “, “Lam Gods”, alle zijn zij uitdrukking van aanbidding. Dat brengt als vanzelf een eigen taalstructuur en taalgebruik met zich mee. Die taal mag op een bepaalde manier “verheven” zijn, ze mòet dat ook wel zijn, omdat ze iets weerspiegelt van wat eigenlijk onuitsprekelijk is (daarom is stilte op zulke momenten een geëigende ‘taal”!). En naar aanleidingvan dat ‘verhevene”: het gaat hier immers om momenten waarop we al dan niet met zoveel woorden opgeroepen worden om ons hart te verheffen tot God (sursum corda, ook in het avondmaalsformulier terug te vinden).

  • Hetzelfde, maar dan inderdaad anders, soms geheel anders, geldt voor hetsmeekgebed, meer in het bijzonder voor de voorbeden. Hier zal de taal van krant en televisie een woordje meespreken. Hier zal dat taalgebruik ruimte opeisen dat er blijk van geeft de wereld van bloed en tranen, moord, verkrachting, honger, ontrechting niet te ontkennen.
  • Dan is er natuurlijk de preek, of bijvoorbeeld bij doop en avondmaal een mogelijke onderwijzing, of meer algemeen: een oproep tot deelname aan een aktie, andersoortige mededelingen, een toelichting bij de kollekte, en dergelijjke. Die momenten zullen weer vooral de taal van alledag en van alleman hanteren. Overigens vragen ook zulke rubrieken en momenten zorgvuldigheid, niet het minst in taalgebruik. Daarom zou ieder die (s)preekt in eredienstelijk verband de grondregels van de retorica enigszins moeten kennen. Eenvoudigweg om te doen horen dat het weliswaar om ‘gewone” mensen gaat, die door middel van ‘gewone” taaluitingen iets met elkaar delen, maar die tegelijk met elkaar het geheim delen dat die taaluitingen bedoeld zijn om het ‘meer dan gewone” (ver)beeldend op te roepen.

Bij dit alles geldt immers dat liturgische taal bedoeld is om woorden vàn en tòt ‘Boven” ten gehore te brengen, aanschouwelijk en voelbaar te maken. Het gaat er om dit te beseffen niet ondánks de erkenning dat zulke woorden woorden van “beneden” zijn, maar juist daaróm. Anders gezegd, liturgische taal is niet primair de taal van feiten, gegevens, mededelingen, maar taal van aanroeping en verbeelding. Ze is dan ook principieel meer vocatief dan informatief. (Zou dat meer beseft worden, dan biedt dat ook meer mogelijkheden tot inclusief taalgebruik: spreken tot God is anders dan het spreken over God.) Maar dat is dan ook precies de reden dat een liturgische “uitvoering” goede voorbereiding vraagt en op het moment van de performatieve uitingen zelf niets minder dan de bijstand van de Geest zelf. Al is het inderdaad en helaas vaak een vervlakt ritueel geworden, het is toch niet voor niets dat in de katholiek-liturgische traditie voorganger en gemeente telkens weer de groet wisselen. Anders zouden beiden al deze bijzondere woorden toch niet echt aankunnen!

IV. Liturgische taal in dialectiek

Ik vat het voorafgaande in drie punten kort samen.

  1. De verschillen in de breedte, die van de wereld-oecumene, tussen liturgische uitingsvormen is heel groot. Niettemin is er een constante: de poging om het onzichtbare en onzegbare toch in rituelen tot uitdrukking te brengen, met
    symbolen, symbooltaal en symboolhandelingen (het onderscheid is van Lukken). Die rituelen hebben voor wie eraan deelneemt doorgaans een gemeenschappelijke verwijzingskracht.
  2. De genoemde verscheidenheid was en is in de lengte, die van de geschiedenis, al niet minder groot. Maar ook hier is een constante te vinden, namelijk de behoefte aan een meer of min bijzondere (sacrale) taal, ook als deze niet (meer) de dagelijkse omgangstaal is. Daarnaast was en is er de behoefte om die omgangstaal juist ook in de liturgie in te brengen.
  3. Er is goede reden om weer een nader onderscheid aan te brengen in soorten van taalgebruik binnen een zelfde of verwante liturgische traditie(s), samenhangend met het type van eredienst en ìn die eredienst met het soortelijk gewicht van de diverse rubrieken.

Zo pleit ik dus ik voor weloverwogen, dus voorgekozen, en weldoordacht, dus ook voorbedacht taalgebruik in de liturgie. Om misverstand te voorkómen: dat is iets geheel anders dan een archaïsch of hoogdravend taalgebruik.
Alleen weloverwogen en voorbedachte taal (de “talige” en de “niet-talige”) zal het kunnen uithouden in de dialectiek die er in alle liturgische bedrijvigheid altijd zal zijn.

Daarbij gaat het allereerst en vooral om de al gesignaleerde spanning tussen traditionele taal en eigentijdse taal, een spanning die nauw verwant is met die tussen sacrale en wereldse of seculiere taal. Het eerste zal in zijn uiterste vorm (archaïsme) onherroepelijk leiden tot vervreemding en isolering; het extreem van het tweede (plattitudes) leidt tot nietszeggendheid. Om de gedachte te bepalen: Classic FM heeft de klassieke muziek gereduceerd tot een bepaalde hoeveelheid hapklare brokken, die zelfs niet meer gesorteerd worden naar toonsoort en stijl. Pizza Hut doet velen geloven dat het bewuste product inderdaad “pizza” zou mogen heten. En zo slaan in de oeverloze stroom van praatprogramma’s op radio en televisie taalinflatie en slordige onverschilligheid in woordgebruik en zinsbouw onbeschaamd om zich heen.

Moet de kerk dan daartegenover in haar liturgie een eiland van conservatief taalgebruik worden? Nee natuurlijk. Maar even belangrijk is: ze moet niet voor de verleiding bezwijken om zò “eigentijds” te willen zijn in haar liturgie, dat die zou kunnen verworden tot een soort talkshow “voor de vuist weg”. Ze zou daarmee ook – en dat is in zekere zin gewoon arrogant – netdoen alsof zij nu pas, en wel voor het eerst, de woorden zou moeten zoeken om dat te zeggen wat er moet worden gezegd. In de historisch aanwijsbare hang naar een zekere mate van traditionele taal in de meer letterlijke zin van dat woord, schuilt ook het besef dat het blijft gaan om aanroepen, uitbeelden en verbeelden
van de Geheel Andere en van het “Gans andere”. Woorden hebben net als “de dingen” hun geheim, en het is zinvol als daarmee iets van dat andere geheim, dat van het geloof, in de liturgie wordt opgeroepen. Daar zit dan de grote spanning die we kunnen noch mogen ontlopen: dat liturgie “evocatief” moet zijn, en dat daarom voorgangers nauwgezet dienen te zijn in de keuze van symbolen, symbooltaal en symboolhandelingen. En dat de liturgie tegelijk daarmee niet een antiquiteit uit het verleden of een soort geheimtaal voor “insiders” mag worden. Alleen daarom al is de afwisseling in de liturgie tussen “traditioneel” en “eigentijds” zinvol, zolang maar voor beide geldt dat er met zorgvuldigheid gesproken en gehandeld wordt.

Naar mijn overtuiging biedt het nieuwe Dienstboek juist op dit punt veel en vooral ook gevarieerd materiaal. Is er in de teksten van de eerder verschenen liturgische handreikingen (Proeve 1, 2 en 3) al sprake van een verschuiving ten gunste een grotere “bandbreedte” tussen traditioneel en eigentijds, sacraal en seculier, in deze gecombineerde Proeve 4 en 5 is dat nog veel meer het geval.

Bij dat eigentijdse horen gelukkig ook steeds meer andere dan alleen de letterlijke taaluitingen. Hier denk ik bijvoorbeeld aan de uitingsvorm van dans en beweging, zoals die heel recent in de werkmap Liturgie in bewegigng gepresenteerd is.

Een andere dialectiek, eveneens nauw verbonden met de vorige, is die tussen poëtische en prozaïsche taal. Op dit punt is het mijns inziens goed en passend om zich te hoeden voor de suggestie dat elke prediker eigenlijk ook een beetje dichter zou zijn. Dat is zeker niet het geval, en het is ook helemaal niet nodig. Wel gaat het er opnieuw om, in staat te kunnen zijn (of zichzelf daarin met anderen te oefenen), om wèlgekozen woorden te vinden in het geweldige reservoir van woorden die er al waren en er nog altijd zijn. Dat zijn blijkbaar woorden die het hebben kunnen houden in het geweld van de tijden en in de daarmee samenhangende slijtageslag. De bijbel gaat in die weloverwogen keuzes ons voor. Paulus kon aardig schrijven, maar als het er op aankomt, gebruikt ook hij al bestaande hymnes, credo’s, of acclamaties (Filippenzen 2; 1 Timoteüs 3; 1 Korintiërs 13 etc. In dit verband trouwens: het is niet voor niets dat vele gedeelten van de Schrift en vele afzonderlijke passages daarin poëtisch-liturgische gestructureerd zijn. Alleen zo, dankzij die vorm, kon de inhoud ervan de tijdgebondenheid en plaatsgebondenheid overleven.)

Een laatste dialectiek in dit verband is die van geschreven en gesproken taal. Liturgie als ritueel heeft beide nodig. De gesproken taal vraagt om de zorgvuldigheid waarvoor ik daarnet pleitte, maar geschreven taal al helemaal. Natuurlijk kunnen we hier allereerst aan de eigenlijke preek denken. Maar het geldt net zo goed voor de geschreven “stukjes” in het kerkblad, of, nog meer direct in de orden van dienst zelf, voor de bijbellezingen als deel van de liturgie. We hoeven daar geen overdreven sacraal gebeuren van te maken om er toch, ook hier dus, werkelijk iets van te “maken” (waarom zouden we trouwens anders een epiklese bidden voor de opening van het Woord?).

Al met al kom ik tot deze drie vuistregels voor ons liturgische bedrijf:

  1. Laten we niet te overdadig zijn met onze woorden en niet te overdadig doen met onze gebaren en symbolen. Liever minder en welgekozen, dan veel en slordig.
  2. Laten we ook niet te gewoontjes willen doen, vanuit het idee dat het er in de eredienst vooral “huiselijk” moet toegaan. Soms wel ja, en soms echt even liever niet. Het hoeft er niet overdreven deftig en sacraal toe te gaan, om toch stijlvol en evocatief te kunnen zijn.
  3. Laten we niet te belerend willen zijn, noch in de preek zelf, noch in de overige delen van de eredienst (“Omdat we hier niet zomaar bij elkaar zijn, mogen we ook vandaag weer uitspreken: Onze hulp… “). Zo gaat de kracht er af voordat de uitspraak haar zelf haar weg kan gaan en haar werk kan doen.

We kunnen noch hoeven alles in woorden te vangen. Ons geloof is fragmentarisch, ons voorstellingsvermogen is fragmentarisch, en onze liturgische uitdrukkingsmiddelen zijn ook al fragmentarisch. Al onze woorden over Gods handelen zijn slechts een wijze van spreken. Al onze handelingen met betrekking tot Gods woorden zijn slechts een wijze van doen. De kern van de liturgie is immers, zei H. Wegman in zijn afscheidsrede, “als Mozes. Zij viert wat al is geschied in de Zoon van de mensen; zij kijkt uit naar wat nog niet is, het land en de messiaanse tijd”. En in zijn laatste artikel omschreef hij de bedoeling van alle liturgie “als teken van ginds, met woorden van toen en nu”.

Literatuur

Algemeen:

  • G. Lukken, De onvervangbare weg van de liturgie, Hilversum 19842
  • P. Oskamp/N.A. Schuman (red.), De weg van de liturgie, Zoetermeer 19982
  • R. Volp, Liturgik. Die Kunst, Gott zu feiern, I en II, Gütersloh 1994
  • H. Wegman, Als Mozes, Afscheidsrede Utrecht 1990
  • H. Wegman, “Drempelgebed?”, in: Eredienstvaardig 11 (1995) 137-140

Specifiek:

  • T. Berger, “Die Sprache der Liturgie”, in: H.-C. Schmidt-Lauber/K.-H. Bieritz (Hgg.), Handbuch der Liturgik, Leipzig/Göttingen 19952, 761-770
  • G. Wainwright, “The language of worship”, in: Ch. Jones a.o. (eds.), The study of liturgy, Londen 19932, 519-528

Materiaal:

  • Proeven voor de eredienst (1) Liturgie in dagen van rouw; (2) Bevestiging van ambtsdragers; (3) Doop en belijdenis; (4 en 5) Schrift – Maaltijd – Gebed, Den Haag/Zoetermeer 1987-1998
  • Werkmap Liturgie in beweging, Amsterdam 1998 (uitgave De Schinkel, centrum voor educatie en geloof)

Bovenstaand artikel (“Liturgie en taal: Ook woorden hebben hun geheim”) is geschreven als vernieuwde voordracht op de Predikantenconferentie VPGKN op 6 oktober 1998.