auteur: Niek Schuman

lezing door prof. N.A. Schuman, jubileumcyclus van het Bavinck College, 2 februari 2006,  Immanuelkerk, Overwinningsplein, Groningen,

Liturgie kan, kort gezegd, worden opgevat als uitbeelding van verbeel­ding. Wat daarmee bedoeld wordt, heeft Herman Wegman treffend onder woorden gebracht: ‘Wat gelovige mensen zich voor ogen stellen omtrent de zin van hun be­staan, welke zinge­ving zij aan hun leven willen geven, wat zij gelo­ven omtrent hun toe­komst, dat alles wordt in de verhalen, liederen en gebeden van de liturgie verbeeld. In een taal en in tekens die wij niet zelf hoeven te scheppen, maar die ons een thuis bieden’ (Weg­man 1991, 9). Beide thema’s, de ‘verbeelding’ en het ‘thuis’ dat ons geboden wordt, werk ik hier kort uit.

Speels en dwars

In Remco Camperts bundel ‘Vogels vliegen toch’ (1951) staat een bijzonder ‘Credo’ in drie strofen:

Ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het ander
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert

Vervang het woordje ‘poëzie’ voor een moment in ‘liturgie’, en er staat kort en goed beschreven wat liturgie wil wezen. Een even speelse als dwarse uitbeel­ding van verbeelding, met behulp van oude woorden en handelingen die tegelijk zich lenen voor steeds nieuwe teksten en gestalten. Speels: de taal en tekens van de liturgie kennen uiteenlopende uitdrukkings­wij­zen, die tot een spel van woorden en gebaren worden. En dwars: ze dienen tot uiting van een visionaire zingeving van het bestaan, die uitstijgt boven de dagelijks ervaren werkelijk­heid en deze ook weer­spreekt.
Mij spreekt in dit verband als voorbeeld uit de Schrift de opbouw van het boek Exodus sterk aan. Het is verras­send om te zien hoe daarin het ver­haal van de uittocht uit Egypte als land van duisternis en dood wordt verbon­den met de vervaar­di­ging van die draagbare woning Gods, de tabernakel. Op het grensvlak van de twee delen, het grote verhaal en een plek om dat te vieren, staan de goddelijke zelf­pre­senta­tie en de sluiting van het verbond. Deze opbouw van het boek Exodus is veelzeggend. Het goddelijk handelen in de ge­schiedenis wordt manifest in woor­den, symbolen en rituelen waarmee mensen dat hande­len betui­gen. Zonder het laatste zou er van het eerste letterlijk geen spra­ke zijn: dáár, in de verha­len, liederen en gebeden van de liturgie, wordt dat handelen pas opgeroe­pen. Maar het is ook omgekeerd. Zonder het eerste zou het laat­ste beteke­nis­loos zijn: mythen en riten die niet op hun beurt al opgeroepen zijn door ervaringen met dat goddelijk handelen, verwij­zen naar niets dan lucht en leegte.
Die tabernakelbouw in de woestijn is wel bijzonder. Je vraag je af waar al dat materiaal vandaan moest komen, midden in de wilder­nis. Maar mooi, veelkleurig is het wel geworden! Denk aan de drievoudi­ge bedek­kingslaag: ruwe roodgeverfde huiden van ram­men aan de buitenkant, een weefsel van geitenhaar in het midden, en een kostbare laag van fijn linnen met blauw en rood als hoofdkleuren aan de binnen­kant. De plaats waar het spel gespeeld wordt, kan er juist in de woestijn kennelijk niet fraai genoeg uitzien. Hetzelf­de geldt van de voorwerpen die in de litur­gische speel­ruimte komen te staan: wasbek­ken, wie­rook­vat, kande­laar of tafel, ten die­nste van de ritue­len met water, wierook, licht en brood. De vervaardiging van dit bijzonde­re, bewe­ge­lijke hei­ligdom is feitelijk een schep­ping, een orde­ning van schoon­heid in de chaos van het bestaan. Als het allemaal voltooid is, laat Mozes in Exodus 39:33-42 zijn oog over alles gaan. Hij zag dat het goed was en hij zegende de makers.
Dezen stonden onder leiding van ene Besaliël. Van hem wordt gezegd dat hij bij name geroe­pen is door de Levende. Meer in het bijzonder blijkt hij van Godswege vervuld met ‘de geest Gods, met wijsheid, inzicht en kennis’ (Exodus 35:30 en 31). Dat is een opvallende formulering. Die woorden stammen uit de sfeer van de wijs­heidsstroming. De spiritualiteit daarvan is gericht op ordening van het chaotische bestaan. En weer roept dat de herinnering op aan de schep­ping: ‘De Levende heeft door wijsheid de aarde gefundeerd, door inzicht de hemelen bevestigd, door kennis de waterdiepten gekliefd’ (Spreu­ken 3:19 en 20). Liturgie is een gestalte van scheppingspo­zie.

Met onverzwakte ogen

Nu is dat allemaal mooi gezegd  althans dat hoop je dan. Maar je zou ook mét Thomas eerst wel eens willen zien en dan geloven. De taberna­kel en de in een wolk verborgen goddelijke presentie fungeerden tenslotte als Ten Geleide naar het goede, wijde land. Het moet toch érgens liggen?

Mozes heeft het gezien. Veertig jaar deed hij er over, zwaaiend en de richting wijzend met zijn staf. Toen heeft hij het gezien, en hoe! Met onverzwakte en ongebroken kracht. Wie daar ooit op de Nebo heeft gestaan, weet dat hij gezien moet hebben dat wat niemand ziet, hoe helder het ook moge wezen. Mozes zág, het hele land naar al zijn zijden. Maar ook bij hem blijft het uiteindelijk, als hij daarboven sterft, bij de onvoltooid toekomende tijd van verwachting. Precies dat, die vorm van verbeelding, structureert naar mijn overtuiging zowel de bijbelse canon en onderdelen daarvan, als ook de liturgie die daarop gebaseerd is. Het is meer dan zinnig, dus diepzin­nig, dat de synagoge in haar lezingen­cyclus het verhaal over Mozes’ visioen en dood niet vervolgt met dat over de ‘intocht’ onder leiding van Jozua. Dat loopt immers uit op corrumpering en de gedwongen uittocht van de balling­schap. In de liturgie gaat het anders. Dan volgt op het visioen van het goede wijde land een stukje uit Genesis 1, over het land dat woest en doods er bij ligt, een aarde bar en boos, roepend om nieuwe ordening. Nog eens gezegd met een citaat van Herman Wegman (1999, 275): ‘”Als Mozes” is, dunkt mij, de kern van alle liturgie. Zij viert wat al is geschied in de Zoon van de mensen; zij kijkt uit naar wat nog niet is, het land en de messiaanse tijd’.

Een eigen soort kennis

In het licht hiervan kunnen we voluit spreken van de liturgie als spel van verbeel­ding. De woorden, de gebaren, de muziek, bewegingen, getekende, geschil­derde of gebeeld­houwde af­beeldingen, de ruimte waarin zich dat alles af­speelt, ze vormen een samenspel dat zicht geeft op een werkelijk­heid die wij zo niet zien, maar waarop wij hopen. Dat doen we dan weer in goed gezel­schap van allen die ons in die hoop zijn voorgegaan. En dat bedoel ik geheel en al in de geest waarin Hebree­ën 11 en 12 daarvan getui­gen: de hoop die we delen met tallo­zen vóór ons en om ons heen. ‘Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was, zagen zij geen werkelijkheid worden; ze hebben slechts een glimp ervan begroet’ (Hebreeën 11:13). Volgens die bijbelse auteur kunnen we daarachter zelfs een goddelijk beleid vermoeden: het was van meet af aan de bedoeling ‘dat zij niet zonder ons de voleinding zouden bereiken’.
Hier komt dus veel, misschien wel alles, op vertrouwen aan. Te bewijzen valt er niets. Maar de thematiek van Hebreeën 11 en 12 heeft ook dit nuchtere aspect: als we liegen, liegen we toch minstens in commissie. Zij het ook weer niet helemáál zonder enige tastbare aanleiding, in onze eigen ervaring. Wat wij oproepen wortelt immers in dat wat in ons opgeroepen ís. Aan­gaande een werkelijk­heid van de soort die Ida Gerhardt op onovertroffen wijze heeft verwoord:

Teruggekomen eer hij werd verwacht,
over de bergen, uit het zuiderland
van akkerstroken en rimpelende Nijl:
de vogel met de rode poten, tureluur.
Ginds heeft, wanneer het oeverriet ontsteeg
het wielend roepen, in zijn ronde boot
van wilgenribben en huid de Nijlvisser
het kenterend getij gespeurd en weet gehad
en niet gehad, van kleuren van een land
dat hij nooit zag: een groene uiterwaard,
de planten op een blauw bazalten krib,
de regenwolken waar het licht doorbreekt.

Gerhardt noemde dit gedicht ‘Anamnesis’ en tekende daarbij aan, dat zij dit woord hanteert in de zin van voorwetenschappelijke kennis. Die Nijlvisser zal nooit en te nimmer zijn kleine biotoop verlaten. Wat weet hij van de kleuren in dat Noordelijke land, waarheen de vogel trekt? En toch. Toch heeft hij weet gehad, en niet gehad, van kleuren van een land dat hij nooit zag. Dit komt wel heel dicht bij die andere figuur, ooit in Egypte geboren, Mozes, van wie Hebreeën 11:27 opmerkt: ‘als zag hij de Onzienlijke’.

Ook liturgie is spijbelen

‘Zij hebben een glimp begroet’, aldus de schrijver van Hebreeën. Ik asso­cieer dat met nog één gedicht, dat op een soortgelijke wijze spreekt en tegelijk ook is geboren uit een tastbare ervaring. C.O. Jellema vertelt daarover, in zijn aanloop naar ‘Aurora borealis’. Toen en toen (januari 2001), daar en daar (dichtbij de Noordkaap), lag hij op een ijskoud scheeps­dek naar het Noorder­licht te kijken. Hij zag  een overrompelende ervaring.

Het gedicht beschrijft dat vreemde, ruimte overspannend licht. Hij wordt weer kind, de aarde wordt weer plat, de hemel is een koepeltent. En dan:

(werd spoorloos in ons kijken uitgewist.) Nee, foto’s
heb ik niet willen maken, want geen sluiter, denk ik,
hoe lang ook open vangt een lichtgeboorte zo
in den beginne op, je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp.

In de genoemde toelichting verdedigt Cor Jellema het ambacht van het dichten. En weer, net als bij Remco Campert, zou ik woorden als ‘poëzie’ of ‘dichten’ kunnen vervangen door woorden als ‘liturgie’ en ‘vieren’. Vooral als Jellema zegt: ‘Een gedicht mag. Een gedicht is een vrijplaats. Het is werk en tegelijk ook een vorm van spijbelen. Want je hebt het, mooi op rijm, zomaar over ‘het laatste gericht’ en over of verwonderd geleefd te hebben daarin niet hoger aangeslagen zal worden dan je plichten te hebben gedaan. (…) Tot je eigen verrassing schrijf je zulke dingen op. (…) In het gedicht mag ik spijbelen, of liever: het gedicht zelf spijbelt voor mij. Het vraag niet of het die grote woorden als gericht en vereeuwiging wel mag gebruiken, het beschouwt zichzelf als een vrijplaats voor intuïties, voor onverdedigbare noties, niet te beargumenteren beseffen’ (Jellema 2002, 36).
Het is meer en meer mijn overtuiging dat we, door wegen als deze te bewandelen, menige impasse in ons postmoderne werkelijkheidsbesef kunnen doorbreken. We staan misschien nog maar aan het begin daarvan.

C.O. Jellema, ‘Aurora borealis’, in: Johan Goud (red.), Dichterlijke vereeu­wigingen, Nijmegen (Flanor) 2002, 34-40
H.A.J. Wegman, Riten en mythen: liturgie in de geschiedenis van het christendom, Kampen 1991
H.A.J. Wegman, Voor de lange duur: bijdragen over liturgie en spirituali­teit, Baarn 1999, spec. 261-278 (‘Als Mozes’)

Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *