Auteur: Niek Schuman

Profetieën en psalmen

Eén blik in de registers van missalen, dienstboeken en leesroosters is voldoende. Men hoeft alleen maar te kijken naar de opsomming onder het kopje ‘Jesaja’ om te zien dat het aantal vermeldingen van passages uit dit profetisch geschrift ver uitsteekt boven dat uit andere oudtestamentische boeken. Op één, ook al weer heel duidelijke uitzondering na: het psalter.

Het laatste ligt, zoals men zal weten, wel voor de hand. In hoofddiensten is de openingstekst (introïtus) zeer vaak afkomstig uit de psalmen; in reformatorische tradities zingt men dan meestal berijmde psalmverzen. Nog vaker is de tussenzang een psalmgedeelte, de reformatorische ‘antwoordpsalm’. En daar waar men in de katholieke traditie in plaats van de tussenzang kiest voor de zo geheten graduaal- en halleluja-teksten, kan men daarin opnieuw grote hoeveelheden psalmfragmenten vinden. Interessant is nu dat men juist bij deze meer traditionele componenten van de viering ook meermalen teksten uit het boek Jesaja aantreft.

De liturgische traditie is dus blijkbaar vanouds gevoelig geweest voor de aantrekkingskracht zowel van het boek Jesaja als van de bundel geloofsgedichten die wij als het Psalmboek kennen. Die twee trekken ook elkaar aan. Zoals elders in dit nummer beschreven, stemmen deze gegevens overeen met die uit het Nieuwe Testament. Ook daar immers ‘scoren’ beide boeken verreweg het hoogste in het aantal regelrechte citaten uit het Oude Testament of in de vele toespelingen daarop. De reden hiervan zal in hoofdzaak dezelfde zijn. De vroege (tóen inderdaad vaak nog joods-christelijke gemeenschap) zag in de even poëtische als visionaire woorden van jesajaanse profetieën én in die van de psalmen, de contouren getekend van het verhoopte Godsrijk en van Jezus als de door God aangewezen drager daarvan. Zoals een magneet het ijzervijlsel, zo trok deze messiaanse gemeente de ene haar doorgegeven profetie na de andere aan, en het ene lied na het andere, om aan de viering van haar nieuwe verwachting vorm te geven.

In deze bijdrage wil ik stilstaan bij drie momenten van dit proces. Het eerste biedt een indruk van de wijze waarop de nog jonge kerk na de vorming van het Nieuwe Testament de genoemde vormgeving liturgisch realiseerde. Ik besteed hier om twee redenen extra aandacht aan. In de eerste plaats zijn we dan in de tijd nog dicht bij de bronnen van de liturgie. In de tweede plaats krijgen we dankzij een bijzonder document een specifiek inkijkje in de wijze waarop de vroege gemeente in Jeruzalem de liturgie vierde. Het tweede en derde moment liggen in het verlengde hiervan. Ze betreffen eerst de eeuwenlange periode van de Westerse liturgische traditie tot in de twintigste eeuw toe, en vervolgens de verhoudingsgewijs nog maar korte periode na de liturgische hervormingen van het Tweede Vaticaans concilie.

1. Jeruzalem vierde eeuw

We beschikken over twee documenten die ons inzicht geven in de liturgieviering van de gemeente in Jeruzalem aan het einde van de vierde eeuwen na Christus. Het eerste is een geschrift van ene Egeria, een dame uit het Noordwesten van Spanje of het Zuiden van Frankrijk. Men neemt doorgaans aan dat zij een non was, in staat  mogelijk vanwege haar adellijke afkomst  om in de jaren 381-384 enkele reizen te maken naar het Midden-Oosten, in het bijzonder ook Jeruzalem. Zij heeft ons een reisverslag in het Latijn nagelaten, dat ons heel wat leert over de gedenkwaardige plaatsen waar de Jeruzalemse gemeente uit haar dagen de liturgie vierde, in de stad zelf en daarbuiten (waaronder Betlehem). Het tweede document is het zo geheten Armeens Lectionarium, het oudste leesrooster dat wij kennen. Ook dit stamt uit Jeruzalem. Het geschrift zelf dateert uit het begin van de vijfde eeuw, maar men neemt algemeen aan dat de hier opgevoerde lezingen en liederen (weer veel psalmen!) al tientallen jaren eerder in de vieringen gepractiseerd werden. Met andere woorden: de liturgievieringen die Egeria zo vol enthousiasme beschrijft, kunnen wij dankzij dat leesrooster reconstrueren. Ik noem hiervan twee voorbeelden, van de twee hoofdfeesten van die dagen: Epifanie en Pasen.

Epifanie wordt een week lang gevierd. Kerstfeest kent men nog niet, en alle ons nu bekende thema’s van Advent en Kerst zijn hier samengebald in de acht dagen durende vieringen. Deze vinden plaats in diverse kerken en (nog kleine) heiligdommen van Jeruzalem én op ‘het herdersveld’ van Betlehem. Egeria in haar verslag:

‘In Betlehem is gedurende al die acht dagen dagelijks veel pracht en praal. Het feest wordt gevierd door de priesters, door de geestelijkheid van die plaats en door de monniken die aan die plaats zijn verbonden. Want op het uur dat allen in de nacht met de bisschop in Jeruzalem terugkeren, brengen al de monniken van die plaats de nacht door in de kerk van Betlehem, totdat het licht wordt, terwijl zij hymnen en antifonen zingen (…). Vanwege de plechtigheid en de feestelijkheid van die dag, verzamelen zich oneindige scharen overal vandaan in Jeruzalem, niet alleen monniken, ook leken, mannen en vrouwen’.

Het lectionarium leert ons wát dan gelezen, gevierd en gezongen werd. Al met al klinken de eerste twee hoofstukken van zowel Matteüs als Lucas, omkranst door diverse psalmen en door lezingen uit Oude Testament en Brieven. In de hoofddienst van Epifanie nemen de profetieën uit Jesaja een belangrijke plaats in. In een serie van twaalf lezingen zijn er niet minder dan zes uit Jesaja genomen: 7:10-17; 9:4b-6; 11:1-9; 35:3-8; 40:10-17; 42:1-8a. Het betreft hier dus respectievelijk de Immanuël-profetie, het lied van het heldere licht dat schijnt in het duister, de zang over de telg uit Isaï’s stronk die een nieuwe werkelijkheid tot stand brengt, de proclamatie van de goddelijke rechtzetting van elke vorm van ontrechting, de woorden over de komst van de Eeuwige als herder van zijn kudde, en tenslotte het eerste lied van de Knecht, met als einde van de lezing het befaamde ‘Ik ben de Eeuwige, dat is mijn Naam’.

Bij deze gedeelten komen uit het Oude Testament onder andere nog stukken uit Exodus 14 en 15, over de doortocht door de Rietzee, gevolgd door de ode van Mozes op de wonderdaden van de Naam. Deze keuze bevestigt de indruk die door heel de intensieve viering van Epifanie gewekt wordt: dit feest is in de vroege periode waar het hier om gaat een ‘satelliet’ van het Paasfeest.  De orden daarvan, een volle week tevoren begonnen op een uitbundig gevierde Palmzondag en ook nu een volle week erna pas echt afgesloten, laten dan ook veel overeenkomsten zien met die van Epifanie. Ik ga daar verder niet op in, maar noem hier wel als tweede voorbeeld van de vroege liturgie in Jeruzalem de lezingen die dienst doen als onderricht aan de catechumenen in de weken vóór Pasen. Ook hierover schrijft Egeria, vaak met grote verbazing om alles wat zij meemaakt. De bisschop gaat de catechumenen voor:

‘Hij doet dat als volgt. Te beginnen met Genesis doorloopt hij die “veertig dagen” al de Schriften, waarbij hij eerst de letterlijke betekenis uitlegt en er vervolgens de geestelijke betekenis van onthult. Evenzo wordt gedurende die dagen alles over de opstanding en over het geloof onderwezen. Dit wordt “catechese” genoemd’.

Opnieuw licht het Armeens lectionarium ons in over de lezingen die de bisschop als catechetisch materiaal gebruikt. De serie begint hier overigens niet met Genesis, maar met Jesaja. Het is Jesaja 1:16-20, de staccato-achtige serie handelingsaanwijzingen voor de mens die zich heeft afgewend van gewelddadigheid. Veelbetekenend is dat de direct daarop volgende lezing uit Ezechiël 18:20-23 is genomen, over ieders persoonlijke verantwoordelijkheid, niet gedoemd om te moeten lijden onder misdaden van eerdere generaties. Wat Jesaja betreft, na die openingslezing uit Jesaja 1 volgen er nog drie uit dit boek, dus in totaal vier van de negen uit het Oude en tien uit het Nieuwe Testament. Het gaat  in die volgorde  om Jesaja 45:16-25, de radicale afwijzing van andere goden(beelden); 7:10-8:10, opnieuw over de naam ‘Immanuël’ en de betekenis ervan; en 53:1-54:5, het vierde lied van de Knecht en de belofte van een nieuwe toekomst voor vrouwe Sion.

Van de zestien lezingen (!) in de dienst van Goede Vrijdag zijn er weer vier uit Jesaja genomen: 3:9-15; 50:4-9; 52:13-53:12 en 63:1-6. Opvallend hieraan is dat het derde en vierde lied van de Knecht ingeklemd staan tussen twee passages die elk op eigen wijze een rechtsgeding van de Eeuwige oproepen. Als dan na een indrukwekkende ‘stille zaterdag’ in de avond en nacht de eigenlijke Paaswake gevierd wordt, vindt de intocht en doop van de catechumenen plaats. Onder de twaalf lezingen die voor deze viering zijn voorgeschreven, vinden we als zesde Jesaja 60: ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen’. De lezing gaat tot en met vers 13, maar wordt aan het begin enkele keren ondebroken. Het is zeer waarschijnlijk dat met name na vers 1, 2 en 3-5 drie keer een antifoon werd gezongen, welke weten we jammer genoeg niet. Bij deze antifoon, zoveel is wel duidelijk, werden er lichten ontstoken. Het is duidelijk dat de lezing van Jesaja 60 juist op dit lichtritueel werd betrokken. Hoewel het niet meer met Jesaja of andere lezingen van doen heeft, citeer ik uit curiositeit voor het laatst uit het reisverslag van Egeria. Zijdelings: bij dat ‘ons’ denke men dus aan vermoedelijk aan haar kloosterzusters:

(Men is naar de Opstandingskerk gegaan.) Er wordt opnieuw gelezen, namelijk uit het evangelie het verhaal van de opstanding. Er wordt een gebed gebeden en opnieuw bedient de bisschop daar de Maaltijd. Maar dat alles gebeurt nu snel, met het oog op de gemeente, opdat die niet langer wordt opgehouden. Hierna wordt de gemeente weggezonden’.

Het is interessant om te zien dat dus inderdaad, geheel in de lijn van de nieuwtestamentische geschriften, het boek Jesaja een voorname plaats innam in de feestliturgie van de vroege kerk. Thematisch gezien gaat het dan om drieërlei: stukken die wij als messiaanse profetieëen plegen aan te duiden, de liederen van de Knecht, en in het geheel van de doopcatechese ook de scherp geformuleerde oproep tot omkeer en nieuwe gerechtigheid.

2. Jesaja vooral verscholen in antifonen

Het Armeens Lectionarium en enkele andere vergelijkbare lectionaria ten spijt, is in de hoofdstroom van de liturgische traditie heel het Oude Testament, dus ook het boek Jesaja eeuwenlang in vergetelheid geraakt. Naast psalmfragmenten, soms ook nog wel langere gedeelten van psalmen, bleven ook enkele profetische uitspraken wel hun plaats houden in de bewoording van introïtus of graduaal. Maar zij waren meest niet als zodanig herkenbaar, en dat geldt ook voor die teksten uit het boek Jesaja die in de liturgie van de hoofddienst figureerden als onderdeel van het totale arrangement. Eén van de weinige uitzonderingen vormt ook hier de plechtige Paaswake, waarin twaalf lezingen uit het Oude Testament ten gehore werden gebracht. De vijfde en achtste daarvan bestonden uit Jesaja 55 en Jesaja 4. Gemeenschappelijk aan die twee pericopen is het perspectief van een gelouterd Jeruzalem en van een nieuwe gemeenschap in het spoor van de ‘getuige der volken’.

Voor het overige bleef (ook) Jesaja dus verscholen in antifonen en responsen, nog het meest in de tijd van Advent. Dat laatste spoort dus wel met wat we tegenkwamen in de periode voordat Advent- en Kerstviering het feest van Epifanie op de achtergrond drong. Zo werd de dienst van de tweede zondag van Advent geopend met de belofte van goddelijke ontferming over het treurende volk op de Sion, Jesaja 30:19. Op de derde adventszondag klonk bij de communie de bemoedigingstekst uit Jesaja 35:4. En de openingstekst van de vierde zondag van Advent was  en is tot vandaag de dag toe  het befaamde Rorate coeli, Jesaja 45:8 in de versie van de Vulgata: ‘Dauwt hemelen uit den hoge! Wolken, laat de rechtvaardige neerdalen als regen! Open je, aarde, om de verlosser te doen ontspruiten!’. Het zal wel bekend zijn dat deze versie een veel besproken kwestie herbergt. Waar de Hebreeuwse tekst spreekt van gerechtigheid en de vrucht van bevrijding, roept de Latijnse versie het beeld op van de persoon die dit alles draagt en nabijbrengt. Het is hoe dan ook een indringende uitroep, soms klinkend, afhankelijk van de kalender, vlak vóór de eigenlijke viering van Kerst. De evocatieve kracht van deze openingstekst werd nog versterkt door het citaat uit Psalm 19 dat erop volgde: ‘De hemel verhaalt van de majesteit Gods, het uitspansel verkondigt het werk van zijn handen’ (Psalm 19:2).

Deze kleine juweeltjes kunnen niet verhelen dat de Advent en Kerstfeest vierende gemeenschap eeuwenlang zeer mondjesmaat met de jesajaanse profetieën van Jesaja vertrouwd werd gemaakt. Men moest al op de zo geheten Quatertemperdagen in de week vóór de vierde Advent de diensten bijwonen om zogezegd die schade in te halen. In de drie diensten op woensdag, vrijdag en zaterdag werden de meest indrukwekkende gedeelten uit Jesaja’s profetieën gelezen: Jesaja 2:2-5; 7:10-15; 11:1-5; 19:20-22; 35:1-7; 40:9-11; 45:1-8. Men zal deze stukken inmiddels herkennen als die passages uit het boek Jesaja die zowel in de vroege kerk als in veel huidige liturgische tradities een plaats hebben gekregen als visionaire teksten over het koningschap van de Eeuwige en over zijn gezalfde als de drager daarvan.

3. De delen en het geheel

Daarmee ben ik uitgekomen bij het derde en laatste onderdeel van deze bijdrage. Om de hoofdlijn goed vast te houden, beperk ik mij ook nu grotendeels tot de tijd van Advent en Kerst, zij het nu ook met een korte uitloop naar Epifanie. Met dat laatste kunnen we weer een verbinding leggen met de vroege periode waarover het in het begin ging.

Wat de profetieën van Jesaja betreft, wijken de liturgische gegevens van de hoofddiensten in de adventstijd niet ruimschoots af van wat we inmiddels al op het spoor zijn gekomen in de twee voorafgaande onderdelen. De echt grote verschillen met de periode die onder 2 is beschreven, betreffen de ruimte die sinds Vaticanum II wordt gegeven aan de lezingen uit het Oude Testament, in afwisseling verdeeld over drie jaargangen (A, B en C). Dit is uiteraard ook direct merkbaar als het gaat om de plaats van Jesaja in de liturgie. Hiermee hangt direct een aspect samen dat juist voor het echte vieren, dat wil zeggen: het evocatieve ritueel dat opgevoerd wordt, zo wezenlijk is. Ik bedoel dan het geheel van het liturgisch arrangement, dat als geheel per definitie meer is dan de som van de delen. Om die reden som ik opnieuw een aantal gegevens op, maar nu niet alleen die welke alleen met het boek Jesaja van doen hebben, maar ook lezingen en/of liederen die met deze jesajaanse teksten worden verbonden, daarmee een verband aangaan. Van de vier adventszondagen kies ik omwille van de lengte er steeds één.

In jaar A van de eerste zondag van Advent, gaat de volkerenpelgrimage naar Sion uit Jesaja 2:1-5 onder meer samen met de vrolijke Psalm 122. In dat lied komen de pelgrims uit een bar en boos land (Psalm 12) na een lange tocht (Psalm 121) aan in de stad van vrede en recht. Dit kleurt de verwachting waarvan in de hoofdlezing sprake is: de komst van de Mensenzoon.

Op de tweede adventszondag begint de dienst met de openingstekst uit Jesaja 30:19 (vergelijk onder 2). Vervolgens is in jaar B de zeer bekende opening van Jesaja 40:1-5 en 9-11 (‘Troost, troost!’) aangelegd tegen de zang van Psalm 85. Ook daar wordt de heilzame weg opgeroepen die de Eeuwige gaat, zijn volk tegemoet nadat Hij terug is gekomen op zijn afkeer ervan. Die ‘bewogen beweging’ figureert ook in de evangelielezing over de prediking van de Doper, mét citaat uit hetzelfde Jesaja 40.

De derde zondag van Advent heeft weliswaar in jaar A én B een boeiend arrangement, met lezingen uit Jesaja 35:1-5 en 61:1-2, 10-11), maar jaar C biedt ook iets specifieks op dat punt. Het is de meest ‘vrolijke’ zondag van Advent (‘Verheugt u!’), en dat horen we niet alleen terug in de les uit Filippenzen 4, maar ook in de tussenzang na de eerste lezing uit Zefanja 3. De tussenzang is namelijk het danklied van de verlosten uit Jesaja 12, dat zo eindigt: ‘Jubelt en juicht, bewoners van Sion, want groot is de Heilige Israëls te midden van jullie!’.

Op de vierde adventszondag, die van het Rorate coeli (zie boven), overheerst in jaar A de thematiek van ‘God met ons’. De lezing van Jesaja 7:10-14 over het Immanuëlteken dat Achaz ontvangt, keert niet alleen terug als citaat in de evangelielezing, maar het krijgt daar ook gestalte in het bijzondere verhaal dat Matteüs in 1:18-24 vertelt. Hier is deze evangelist ten voeten uit de schriftgeleerde die uit zijn voorraad nieuw en oud bijeenbrengt (vergelijk hiervoor Matteüs 13:52).

Komen we in de adventstijd dus al diverse passages uit Jesaja tegen die in het Jeruzalem van de vierde eeuw figureerden op en rondom Epifanie, met de kerstvieringen is het al niet anders gesteld. In de kerstnachtdienst wordt het overbekende Lucas 2 begeleid door de profetie van het stralende licht uit Jesaja 9:1-6 en het nieuwe gezang van Gods koningschap uit Psalm 96. (Helaas is uit de lezing van Jesaja 9 vers 4 weggelaten. Moeten bij alle mooie kerstgevoelens de bebloede oorlogsmantels en dreunende soldatenlaarzen buiten beeld blijven? Vreemd, want ze worden juist opgevoerd om voorgoed uitgebannen te worden!) Op kerstmorgen straalt het licht van Jesaja 9:1 al direct in de openingstekst, gevolgd door de lezing uit Jesaja 62:11-12, over de vertroosting van het meisje Sion. Ook hier klinkt de proclamatie van het koningschap van de Eeuwige, nu met Psalm 97.

Tenslotte dan de viering van Epifanie, in onze tijd niet meer strikt op 6 januari als die datum niet een zondag betreft, maar op de eerste zondag na 1 januari. De profetenlezing uit Jesaja 60:1-6, ‘Sta op en schitter!’, gaat in het arrangement een verband aan met Psalm 72, Efeziërs 3 en het evangelie van de wijzen uit het Oosten die, via Jeruzalem waar de Schriften opengaan, in Betlehem arriveren. De verbanden zijn onmiskenbaar diepzinnig: volkeren van verre worden participanten van het heil dat is verschenen. De evocatieve kracht hiervan is groot. Tot besluit van deze bijdrage in dit verband nog een klein wensje mijnerzijds, al besef ik dat deze wens tot geen leesrooster zal doordringen: naast Jesaja 60 zou ook de lezing van Genesis 25:5 en 6 niet misstaan, misschien zelfs het verhaal van Matteüs nog meer contouren geven. Maar goed. ook zonder dat straalt de profetie als de ster in het Oosten!

  • Het reisverslag waaruit in dit artikel geciteerd wordt, is vertaald in het Nederlands door Drs. F. Ledegang: Als pelgrima naar het heilige land: de pelgrimage van Egeria in de vierde eeuw, Kampen (Kok) 1991.
  • Het Armeens Lectionarium is minder algemeen toegankelijk. Wle bestaat er een Franse vertaling met notities: A. Renoux (ed.), Le Codex Arménien Jérusalem 121, Turnhout 1971 (serie Patrologia Orientalis nr. 168).
  • De liturgische gegevens voor de hoofddiensten in de katholieke en de reformatorische tradities, vindt men in de Zondagsmissalen, respectievelijk in het ‘Dienstboek  een proeve‘ van de PKN

Schrift nr. 231, jg. 39 (2007) 103-107.

Tags: , , , , ,