auteur: Niek Schuman

SAMENVATTING

Positieve interpretatie van Jobs reactie in 42:1-6.

In verreweg de meeste vertalingen van Job 42:6 komt een personage Job naar voren dat berouw zou tonen over zijn eerdere protesten. Toch is het bij nader toezien onwaarschijnlijk dat dit de ‘clou’, de boodschap zou zijn van het boek dat naar dit personage genoemd is.
Deze onwaarschijnlijkheid wordt sterker naarmate men het bewuste geschrift leest in de volgorde waarin het zich aan ons aanbiedt. Steeds meer gaat Job, geconfronteerd met dogmatisch gekleurde redeneringen van zijn vrienden, er toe over zijn zaak tot inzet van een rechtsgeding te maken. Uiteindelijk voert hij dat geding met niemand anders dan JHWH zelf.
Wanneer deze in de apotheose van het boek zelf het woord neemt, blijft Job aanvankelijk zwijgen. Tot het moment waarop hij toch gaat spreken en zegt ademloos zijn God zelf te hebben ‘gezien’. Hij heeft in JHWH niets minder leren zien dan zijn bondgenoot tegen chaos en lijden. Hij neemt afstand van zijn protest, breekt met zijn situatie van rouw en ellende, en kan weer verder. Job is ‘terug’, Job doet weer mee, sadder and wiser.

 

A INLEIDING

In zijn fijnzinnige boekje over het geschrift van de Prediker (Kohelet) uit mijn verre dierbare vriend Cas Vos zijn ongenoegen over de dubbele epiloog van dat merkwaardige bijbelboek. Ongenoegen? Ja zeker: ‘Poësie ontbreek. En waar poësie ontbreek, is daar ’n skroef los!’. Dus biedt de theopoëet Vos een eigen epiloog aan, waaruit ik hier enkele regels citeer:

Maar waar word sin gevind?
Is alles ’n hand vol wind?
Teologie het vir my soms gestruikel
oor te veel vastighede en woordwerk.
Vir my was die kuns van preekmaak
wat ander ontroer het, een guns van God.
God was en is vir my geklee in misterie.
(Vos 2006:115 en 118)

In deze feestbundel bied ik op mijn beurt aan Cas Vos een opstel aan over dat andere, niet minder merkwaardige bijbelboek, dat evenals Kohelet vanouds tot de Oudisraëlitische wijsheidsliteratuur wordt gerekend: het boek Job. Zoals bekend, is het verhalende raamwerk hiervan in proza geschreven (Job 1-2 en 42:7-17). Maar afgezien van een korte notitie in 32:1-6 <noot 1>, rammelt het literair gezien in heel dit geschrift niet of nauwelijks bij gebrek aan degelijk dichterlijke schroeven: het is één en al poëzie. Of en waar het theolo­gisch wél rammelt, is een andere kwestie. Om precies te zijn: naar mijn besef kón ook alleen maar poëtisch worden verwoord wat in het boek Job op het spel staat. Dat is niets minder dan wat de theologie nogal plechtig ‘theodicee’ noemt, maar wat minder hoogdravend, dichter bij de grond van het mense­lijk bestaan, de oervraag van het ‘waarom’ kan worden genoemd:

 

Waarom laat siekte ons huis kreun?
Waarom moet ons al ons trane in bekers stort?
(Vos 2006:118)

Deze vraag, die het drama van het leven zelf raakt, is in het boek Job tot een poëtisch drama gemaakt. Mogelijk heeft het zelfs ooit in de zeer woelige tijd na de ballingschap als werkelijk opgevoerd drama gerouleerd, bij feesten in de tempel. Hoe dat zij, er zit onmiskenbaar een dramatische voortgang in het geschrift. De ‘dialogen’ tussen Job en zijn drie, later vier vrienden, nemen in heftigheid toe, tot het moment waarop JHWH zelf het woord neemt. Jobs eerste reactie (‘ik doe er het zwijgen toe’, 40:3-5) wordt door hemzelf gelogenstraft door zijn tweede (‘Nu antwoordde Job de HEER’, 42:1-6). De kernvragen van dit opstel hebben juist daarmee van doen: waarom spreekt Job hier tóch, en: retireert hij in 42:6 werkelijk, zoals meestal aangenomen wordt, of neemt het drama hier een even beslissende als positieve wending?

 

B RONDGANG DOOR HET BOEK

Ik maak nu een rondgang door het boek, of beter: door het drama heen. Alleen zo, doorlezend en toehorend in volg-orde, kunnen we immers een dramatische voortgang op het spoor komen. Daarom ook geef ik aan waar naar mijn overtuiging belangrijke literaire en theologische signalen worden afgegeven. <noot 2>

→ 1-2. De in proza geschreven proloog roept een aantal dubbelscènes op. Op het toneel boven bevindt zich een hemels gezelschap, onder wie een satani­sche figuur, een aanklager, een ‘tegenspreker’. Hij dringt er bij JHWH op aan om Jobs rechtschapenheid te toetsen. Is deze niet op eigenbelang terug te voeren? ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ – en Jobs vroomheid is op niets anders gericht dan op dat laatste. Het gaat hem goed, en dat wil hij graag zo houden, allicht. Neem hem alles af, en kijk dan hoe hij zal reageren!
De satan krijgt toestemming om Job al zijn bezittingen, ook de meest dierbare, te ontnemen. Maar Job blijft de Naam (JHWH) drievoudig heiligen (1:21). Ook als de satan zijn lichamelijke integriteit aangetast heeft, gaat Job niet in op de aansporing om God vaarwel te zeggen. Wel is het zo dat hij de Naam niet meer over zijn lippen krijgt: JHWH is ‘godheid’ geworden (2:10).
Tenslotte komen de drie vrienden, die zeven dagen en nachten zwijgend bij en naast Job op de grond blijven zitten, terwijl zij zelf als teken van rouw stof opwer­pen over hun hoofd.
→ 3. Job vervloekt zijn geboortedag (3:1):

 

De dag dat ik geboren werd, moge vergaan;
ook de nacht die zei: ‘Een jongetje is ontvangen!’

Hij roept machten die het licht wekken op om de vervloeking te bekrachti­gen, zij die het wagen om het monster Leviatan op te hitsen (3:8).
De kern van de klacht is deze vraag (3:23):

 

Waarom geeft God/de godheid (!) het licht aan diegene

voor wie de weg verborgen blijft, wie hij de weg verspert?

 

Jobs vraag betreft niet alleen zijn eigen ellende. Vanaf vers 20 sluit hij alle ongelukki­gen en verbitter­den in zijn klacht in, ‘hij voegt zich als een der velen in de droeve stoet, op voet van gelijkheid gaande over de aarde (Miskotte 1936, 128v.).
→ 4-5. Vriend Elifaz neemt het woord. Hij doet dat vooralsnog met compas­sie voor Job, juist door zich te houden bij de traditionele vergeldingsleer. Zelfs de engelen ervaren dat (4:16-18)! Als Job werkelijk rechtvaardig is, zal alles uiteindelijk wel goed komen, want (5:18 en 22):

 

God verwondt en hij verbindt,
hij slaat én zijn handen genezen (…)
Met honger en geweld zul je de spot kunnen drijven,
de wilde dieren op aarde hoef jij niet te vrezen.

→ 6-7. Job voelt zich er niet door getroost. Zijn klacht verdiept zich, wordt zelfs tot een regelrechte dodenklacht. Aangrijpend is de variant op de regel vol verwondering uit Psalm 8:5-7, die híer zo luidt (7:17):

 

Wat is de mens dat Gij hem zo hoog acht,
waarom krijgt hij al die aandacht van u?

De verwondering is hier tot ontzetting geworden. Job kan zijn speeksel niet eens wegslikken of de ‘mensenbeloerder’ blijft hem bespieden – als was Job het zeemonster zelf (7:12).
→ 8. Dit wordt de tweede metgezel, Bildad, te machtig. Wie denkt Job wel dat hij is, dat hij in feite de Ontzagwekkende (Sjaddai) van onrecht beschul­digt? Met kracht stelt (ook) Bildad tegenover de on­schuldsbetui­gingen van Job de chokmatische vergeldings­leer. Job wil toch zeker niet de godde­lijke rechtvaardigheid in twijfel trekken? Ook hij eindigt positief (8:20):

 

Maar nooit zal God onschuldigen verwerpen,
nooit zal hij kwaaddoeners steunen!

→ 9-10. Job gaat in zijn reactie door op dat thema van het rechtsge­ding, dat meer en meer hoorbaar wordt in de redes van de vrienden en van hem zelf. Hij heeft daar weinig illusies over. Van God gaat een mens bij voorbaat verliezen, als hij probeert tegenover God in zijn recht te blijven staan. Het is immers de God die heerser is over heel het universum, zon, aarde, sterren en sterrenstelsels… Zelfs het oermonster Rachab buigt voor zijn macht (9:13):

 

God keert zich van zijn woede niet af,
de helpers van Rachab moeten diep voor hem buigen.

Het vervolg van dit antwoord aan Bildad bevat een lange, tot God gerichte monoloog: heeft deze er plezier in om Job zo te verdrukken? Hij schonk hem het leven, heeft met liefde en zorg hem omringd – is het te veel gevraagd Job nu met rust te laten, in de weinige dagen die hem in het leven nog resten?
→ 11. Dan treedt de derde vriend op, Sofar. Die is vanaf het begin heel wat feller dan Elifaz en Bildad. Job is een zwetser, een woordenkramer! Hij zou er goed aan doen zijn adagium ‘Ik ben onschuldig’ in te trekken. Dán zal hij inderdaad het goede weer zien, zegt zelfs Sofar (11:16):

 

Dan zul je je ongeluk kunnen vergeten,
het zal zijn als weggestroomd water!

→ 12-14. Een dergelijke beschuldiging van onrecht (want dat is het) verdient een extra lange reactie. Job wordt nu op zijn beurt niet alleen fel, maar ook echt sarcastisch. Wat een onovertroffen wijsheid krijgt hij toch toegediend van zijn vrienden! Hij kan daar niets mee, het enige dat nog werkelijk hout snijdt, is een feitelijk rechtsgeding aan te gaan met God (13:3):

 

Ik wil spreken tot de Ontzagwekkende,
mijn verdediging voeren ten overstaan van God!

Deze in feite dappere houding is het behoud van Jobs laatste persoonlijke waardigheid. Anders hoeft het, om zo te zeggen, helemaal niet meer en houdt alles letterlijk op met de dood. Dat is het thema van de elegie die in hoofdstuk 14 aangrijpend verwoord is.
→ 15. Elifaz neemt voor de tweede keer het woord. Ook zijn toon is nu veel feller geworden: weet Job soms dingen die zij, chokmatisch geschoold als zij zijn, níet zouden weten. Heeft hij soms toegeluisterd bij de raad Gods en is hij zo arrogant dat ‘staatsgeheim’ voor zichzelf te houden (15:8v.)?
→ 16-17. Nee, aldus Job, dat niet, integendeel zelfs. Kón hij maar iets, al was het een glimp, opvangen van dat wat er schuilgaat achter dit even onbegrij­pelijke als onrechtvaardige handelen Gods! En zo komt hij tot wat als de meest dramatische uitspraak uit heel het boek gezien kan worden; God wordt hier getuige tegenover God (16:19-21):

Maar nog heb ik in de hemel mijn getuige,
nog heb ik in den hoge mijn pleitbezorger:
ook nu mijn vrienden mij met spot overladen,
richt mijn oog zich in tranen tot God.
Dat híj moge oordelen tussen de mens en God,
als tussen een mens en diens gelijke!

 

Met deze toespitsing van het rechtsgeding is wat Job betreft eigenlijk alles gezegd. Na deze fiere woorden kan hij alleen maar zijn oerklacht herhalen.
→ 18. Ook Bildad gaat voor de tweede keer met Job in discussie. Geen won­der, na het voorafgaande, dat hij op zijn beurt de zaken op scherp zet. Hij rekent niet meer met een mogelijke rechtvaardigheid van Job, met bijbeho­rend toekomstperspectief. Hij schetst keihard het lot van de kwaaddoeners: duisternis en verwoesting zijn diens deel (18:5, 21). De implicatie is evident. Job staat op geen enkele manier in zijn recht, hij móet schuldig zijn.
→ 19. Geen wonder dat Job zich nu definitief door zijn vrienden verraden voelt. Ze lijken God zelf wel, met hun belastering van hun vriend (19:22). Tegelijk scherpt Job zijn rechtsgeding nog meer aan dan hij al gedaan had, door de wens uit te spreken dat zijn klacht, aanklacht en onschuldsbetuiging in geschrifte vastgelegd zullen worden. Niet anders dan bij een rechtsgeding in poort of tempel gebruikelijk was (19:23v.).
Ook spreekt hij hier opnieuw, vergelijkbaar met zijn woorden uit 16:19-21, een soort credo uit waaraan hij zich vastklampt. In dat credo gebruikt hij opnieuw een woord uit de sfeer van de rechtsspraak (19:25-27):

 

Maar ik weet: mijn losser leeft
en hij zal ten slotte opstaan op het stof.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
ik zal in dít lichaam God aanschouwen,
persoonlijk zal ik hem aanschouwen,
zien met eigen, niet met andermans ogen –
heel mijn binnenste smacht van verlangen.

→ 20. Sofar is aan de beurt voor zíjn tweede ronde. Fel protesteert hij tegen dat wat hij zojuist hoorde. Smaad is het! Des te meer zal de hemel Jobs schuldigheid onthullen, de aarde zal zich tegen hem keren (20:27).
→ 21. Ach, antwoordt Job, wat zijn jullie toch een bijzondere troosters –
met jullie woorden, die niets dan bedrog zijn…
→ 22. Was Elifaz tot nu toe de meest gematigde van de drie, dit wordt ook hem echt te bar. Hij schroomt niet nu een hele reeks wandaden te noemen, die Job zou hebben bedreven tegen sociaal weerlozen (dus diegenen die het juist van de rechtsspraak moeten hebben). Maar, Job kán ‘zijn huis nog van alle kwaad zuiveren’, zich bekeren tot de Ontzagwekkende. Niet minder dan vijf keer noemt Elifaz deze hoogheilige godsnaam (22:3, 17, 23, 25, 26).
→ 23-24. Job kan weinig anders meer dan herhalen: ‘Ik ben onschuldig’. Zou hij God kunnen vinden, waar dan ook, hij zou hem zijn zaak voorleggen met goede argumen­ten en hij zou in het gelijk gesteld worden. Maar God is en blijft onvindbaar (23:8v.):

Want, ga ik naar het Oosten: daar is hij niet,
naar het Westen: nergens te bespeuren;
aan het werk in het Noorden?, ík aanschouw hem niet,
vertoevend in het Zuiden?, ík zie hem niet!

→ 25. Bildad is weer aan de beurt. En hij lijkt net van plan weer eens een serie zonden van Job op te sommen, als deze hem korzelig onderbreekt. Bildads derde ronde duurt zodoende welgeteld zes verzen. En Sofar komt al helemaal niet meer aan de beurt…
→ 26-31. Job blijft daarentegen zes hoofdstukken lang achtereen aan het woord. Zíjn laatste ronde begint met een betoog over de ondoorgrondelijk­heid van Gods handelen in de schepping, vooral met die monsters als Rachab en die andere kronkelslang (26:12v.).
Daarop volgen twee betogen, die beide beginnen en eindigen met een beroep op het recht. De eerste keer begint Job nog vrij behoedzaam (27), de tweede keer brengt hij het veel massiever naar voren (29-31). Hij doet dat door een soort ‘document’ aan te bieden in de vorm van een ‘negatieve betuiging van onschuld’ (31:5-34). Die is verwant aan ons bekende Egypti­sche teksten. Het schema ervan is, al dan niet vragenderwijze: ‘Indien ik… dán moge…; heb ik soms?…dán inderdaad…’. Al zijn daden mogen in de weegschaal gelegd en gewogen worden (31:6)!
Tussen Jobs reactie op Bildad en de daaropvolgende betogen staat in hoofdstuk 28 de zo bekende ode aan de wijsheid (chokma) en het inzicht (biena). Blijkbaar functioneert deze ode als een tussenzang, een lyrische rei, in de dramatische slotwoorden van Job (31:40b):

Hier eindigen de woorden van Job.

→ 32-37. Het boek zelf eindigt hier niet. Want na een korte inleidende notitie verschijnt opeens een vierde metgezetl op het toneel. Hij, Elihu (‘God is hij’), becritiseert zowel Elifaz, Bildad en Sofar, als ook Job. Hij constateert dat de eerste drie niets feitelijks tegen Job wisten aan te voeren (32:3). Op zijn beurt spreekt hij Job aan – dat hadden de drie vrienden niet gedaan, met hun redenaties in het algemeen! – in een lang betoog, waarin dit de rode draad is: God, de Ontzagwekkende schiet de ontrechte mens wel degelijk te hulp. Maar wij mensen kunnen het moment daarvan niet doorzien, laat staan dat we het zouden kunnen vaststellen (34:23). Gods handelen is en blijft ondoorzichtig. Wij kunnen niet achter de schermen kijken. Die schermen zijn voor Elihu de wolken, als principiële scheidslijn tussen de mens en God. In de schepping voltrekken zich wonder­baarlijke zaken, de wolken verhullen het hoe en wat van Gods handelen.
We zouden verwachten dat Job op Elihu’s betogen zou ingaan; hij had immers zelf ook al aan dat wolkendek gerefereerd (26:9):

 

Hij bedekt de aanblik van zijn troon
en spreidt er wolkendek over uit.

Maar Job zwijgt. Zijn woorden lijken inderdaad eens en voorgoed beëindigd.
→ 38-41. Toch blijft het niet stil. Geheel onverwacht neemt God het woord, of veelzeggender: JHWH, niet de Ontzagwekkende. Vanuit een storm spreekt hij de zo geheten godsredes uit, waarin men door­gaans twee of drie onderde­len onderscheidt. Ik kies voor het laatste: (a) 38:1-38; (b) 38:39-40:2; (c) 40:6-41:26. Tussen (b) en (c) staat een korte reactie van Job.
Het eerste stuk (a) beschrijft de regels en wetmatigheden van het univer­sum: op wiens chokma berusten die alle? Wie neemt het op zich om dag aan dag de aarde te behoeden voor de aanslagen van de goddelozen (38:1­2v.):

 

Heb jij (Job) ooit het morgenlicht ontboden
en aan de dageraad zijn plaats gewezen
om de zomen der aarde beet te pakken
en de goddelozen van haar af te schudden?

 

De ironie is groot. Laat Job opstaan (38:3) en het kosmische bed opmaken door de goddelozen van het aardedek af te schudden! Direct hierna passeren in het tweede stuk (b) tien dieren de revue, van de leeuw in zijn hol tot de gier in de bergen. Tussen die twee in horen we de opsomming van raaf, steenbok, hert, wilde ezel, woudos, struisvogel, paard en valk. Waar valt Jobs biena in dit dierenrijk te bekennen? JHWH (40:2):

 

Wie met de Ontzagwekkende twist wil gaan terechtwijzen?
Dat wie God aanklaagt nu moge antwoorden!

Job antwoordt alleen dat hij niets meer heeft te zeggen (40:3-5). Waarop JHWH weer het woord neemt (c), met een even ironische als bijna hilarische beschrijving van de twee monsterdieren Beheemoth (‘nijlpaard’) en Leviatan (‘krokodil’). Direct hiervóór daagt God Job uit om deze trotse gewelde­naren, ja alle goddelozen ter plekke neer te slaan. Dat zou bijzonder zijn (40:9):

Dan zal ook ik jou lof toezwaaien,
omdat je rechterhand je bevrijding bewerkt!

→ 42:1-6. Ondanks zijn bewering niet meer te reageren, geeft Job nu toch antwoord. Refererend aan het begin van de godsredes (38:2v.), spreekt hij twee beslissende zinnen uit, die naar mijn overtuiging meestal onjuist worden weergegeven. Ik kom daar in mijn slotsectie D op terug. Voorlopig houd ik het bij citaten uit NBG en NBV (42:5v.):

Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen,
maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.
Daarom herroep ik en doe boete
in stof en as.

Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij,
zoals ik hier zit in het stof en het vuil.

→ 42:7-17. Alsof Job niets had gezegd, richt JHWH zich in deze epiloog tot Elifaz en in hem tot de drie vrienden, verontwaardigd over wat zij over hem, JHWH, hebben gezegd: niet het juiste, ‘zoals wel mijn knecht Job’ (42:7v.). Nadat Job voor hen heeft gebeden (!), ontvangt hij dubbele vergoe­ding voor alles wat hem was ontnomen. Zijn drie dochters zijn de schoon­heid zelve, met hun prachtige namen Jemima, Kesia en Keren-Hap­poech: ‘Duifje, Kaneel­bloesem en Poederhorentje’. En Job leefde nog lang en gelukkig met kinde­ren en kleinkinderen tot in het vierde geslacht.

 

C KLEINE TUSSENBALANS VRAGENDERWIJS

Het drama lijkt een sprookje geworden. Toch verandert deze happy ending niets aan het drama zelf: dat een rechtvaardige zó door onheil kan worden getrof­fen. De drie vrienden, een volle week zwijgend begonnen, hebben steeds hardnekkiger het schema gehanteerd: ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ en ‘Het kwaad straft zichzelf’. Job heeft op zijn beurt steeds feller van zich afgeslagen – welbeschouwd het zelfde schema volgend (anders dan Kohelet in Prediker 7:15!). Hij heeft wel een nieuw element ingebracht: dat van de rîbh, het rechterlijke twistgeding. Dat een rechtvaardige zo moet lijden is immers geheel en al in strijd met de orde van recht! En die orde wordt op haar beurt gedragen en – in principe – gegarandeerd door de goddelijke gerechtigheid. Het boek van de Psalmen is van deze overtuiging door­trok­ken, juist in de meest dramatische klaagpsalmen (Schuman 2003: 357-372; 2008: 83-103). Het is dus van belang goed te letten op die passages in het boek die de roep om recht verwoorden (Schuman 2003: 407-409); zie de cursief aangege­ven teksten en tekstseries 9-10, 12-14, 16-17, 27 en 31. We zouden het ook zo kunnen zeggen: door de thematiek van het rechtsgeding steeds massiever tegenover de betogen van de vrienden te zetten, draagt Job bij aan een (nieuw?) antwoord op de oervraag ‘Is er nog gerechtigheid?’.
Dit klemt te meer wanneer we ons realiseren, dat JHWH in de epiloog een- en andermaal zegt dat Job ‘juist’ over hem hen heeft gesproken, dat zijn klacht en aanklacht terecht waren. Tweemaal ook noemt hij Job daar zijn ‘knecht’, in de wereld van het Oude Testament een eretitel voor mensen als Mozes of David of, uiteraard, de ‘Knecht des Heren’. Feitelijk wijst JHWH Job daarmee aan als zijn intimus, zijn vriend.
De variatie in godsnamen zelf wijst in dezelfde richting. Raakt aan het slot van de proloog de vertrouwelijke naam JHWH uit het zicht, hij keert vanaf de eerste godsrede terug. Daarvóór was in alle redenaties alleen sprake van ‘de Ontzagwekkende’ of ‘God/de godheid’. Zo lijkt ook het vijfvoudige ‘JHWH’ in 38:1-42:6 een belangrijke signaalfunctie te hebben. Job en zijn God spreken met elkaar als personages die een relatie met elkaar hebben.
Strookt dit nu nog wel met het traditionele beeld van een boetvaardige Job, die zich volgens het opschrift in NBG boven hoofdstuk 40 ‘verootmoe­digt voor God’ en volgens dat boven hoofdstuk 42 ‘herroept en boete doet’? We kunnen dezelfde vraag ook anders stellen, langs een andere weg: die van Jobs eigen woorden in 42:5 en 6. Deze vraag is weer onder te verdelen in minstens twee subvragen:
(1) Wat bedoelt Job als hij zegt nu met eigen ogen JHWH te hebben gezien, waar hij eerder slechts van hem had gehoord (42:5)?
(2) Wat ‘herroept’ hij nu, welke woorden trekt hij nu in, en waarop doelt hij in die uitspraak met dat stof en die as (42:6)?

 

D EEN TROOSTRIJKE ONTKNOPING?

In deze slotsectie wil ik op de drie bovenstaande vragen een antwoord proberen te geven, in het besef dat ook dit antwoord slechts één van de vele kan zijn. Wetend ook hoe dikwijls al is geprobeerd met voorstellen ter zake te komen. Enkele daarvan wijzen mijns inziens de richting; ik zal dat ook aangeven. Het antwoord waar ik zelf bij uit kom, impliceert ook een andere dan de boven geciteerde (en vele soortgelijke) vertalingen.

(1) Jobs reactie in 42:1-6 op de godsredes lijken niet die van een boeteling te zijn. Wel roepen zijn woorden bescheidenheid en zelfkritiek op, maar meer dan dat alles toch vooral verwondering. En verwondering is iets heel anders dan verplettering. Zeker, de godsredes schetsen een majestu­eus univer­sum. Toch lijkt Job er niet zozeer door verpletterd als wel verbaasd, in feite ademloos verwonderd. Hij heeft iets gezien dat totaal nieuw is en dat hem tot een bepaalde vorm van inkeer brengt, die niet zomaar met boetedoening mag worden gelijkgesteld. De inkeer lijkt meer een omkeer bij hem te bewer­ken.
Blijft de vraag waardoor dit bewerkt is. Ik ben van mening dat het ant­woord kan luiden: Job heeft JHWH aan het werk gezien als degene die de chaos bestrijdt, die ordening aanbrengt (en daarmee gevaren verkleint) in de kosmische wereld en in het dierenrijk. We moeten daarbij onze huidige associaties met gezellige dierentuinen in Nederland of toeristische wild­parken in Zuid-Afrika terzijde schuiven. Met name de tien dieren die op het toneel ver­schijnen, nog meer uiteraard de twee monsterdieren die vervolgens dampend en stampend opgevoerd worden, representeren de altijd weer dreigende Umwelt van de klassieke mens. Ook het Oude Testament biedt daarvan voorbeelden. Exodus 23:29v., Leviticus 26:6v. en Deuteronomium 7:22v. stellen in feite de dreiging van wilde dieren in het (beloofde) land op één lijn met die van vijandige volken. In Jesaja 34 wordt in apocalyptische kleuren het oordeel over Edom getekend; in de opsomming van de demoni­sche machten die zich van dat land meester maken, vinden we diverse dieren uit Job 38 en 39 terug. Anders gezegd, voor lezers en hoorders van toen roept deze godsrede een wereld op waarin vreeswekkende, ontembare dieren vrij spel hebben.
Maar JHWH presenteert zich toch als degene die met deze wereld van beesten vertrouwd is, ze voedt en hoedt, die zelfs met onmiskenbare ironie over die twee enge momsterdieren spreekt? Juist daar lijkt het hier om te gaan. JHWH is inderdaad degene die deze angstaanjagende wereld ‘kent’, dat wil zeggen: beheerst. Hier schiet de Oudoosterse iconografie ons te hulp. De Duitse oudtestamenticus Othmar Keel heeft vele honderden inscripties en afbeeldingen onderzocht en (met hulp van zijn vouw Hildi) nagetekend, waarin een koning, een farao, of andere hoogge­plaatste figuren optreden als ‘Heer van de dieren’. Deze weerstaat majesteite­lijk de dreiging die van deze beesten uitgaat, grijpt ze bij de keel, vertrapt ze met zijn voeten, enzovoort. Leeuwen, steenbokken, herten, wilde ezels, woudossen, struisen, paarden en gieren – zij alle figure­ren als representanten van dreiging en onheil, zij alle worden overwonnen door de ‘Heer van de dieren (Keel: 1972 en 1978). Wat dit fenomeen extra interessant maakt, is het gegeven dat op die afbeeldingen regelmatig symbolen te zien zijn die enerzijds de kosmische chaos, ander­zijds juist de kosmische orde verbeelden. Zeer vaak wordt dit zichtbaar in gestileerde levensbomen en/of in symbolen voor zon, maan en sterren.
De tweede godsrede in 40 en 41 voegt daar een climax aan toe. Eerst, zagen we, had Job gezegd niet meer te zullen reageren (40:3-5). JHWH had op zijn beurt dáárop gereageerd met een ‘uitnodiging’ aan Job om het van hem over te nemen. Zou Job daarop ingaan, dan zou JHWH hem uitbundig loven en prijzen (40:9). Job als de bestrijder van chaos! Maar het is JHWH die vervolgens de monsterdieren Beheemoth en Leviathan tekent als beesten die hij zogezegd om zijn vinger windt. Biologisch zinspelen deze teksten inderdaad op nijlpaard en krokodil; theologisch belichamen zij de ultieme chaos en dreiging. Voorbeelden van Oudegyptische iconografie verhelderen dit op bijzondere wijze (zie hiervoor met name Keel: 1978).
Dat is het ene, dit verrassende aspect van de godsredes in het boek Job. Met dank aan Othmar Keel begint dit duidelijk te worden. Het goddelijk gevecht tegen de chaos, die Chaoskampf waarvan de goddelijke gerechtigheid met al haar morele en sociale derivaten altijd de inzet vormt, wordt Job onthuld als de ononderbroken activiteit van ‘Die er zijn zal’ (JHWH). Maar bevat dat ook maar enige troost voor Job op zijn even verschrikkelijke als omver­diende lijdensweg? Het antwoord daarop hangt af van het tweede: hoe ziet nu Jobs laatste reactie eruit, wat zegt hij nu in 42:5 en 6?

(2) Job begint dus met de opmerking dat hij tot nu toe alleen over JHWH had gehoord, maar dat hij deze nu heeft gezien. Niet ‘aanschouwd’, wat nog iets sacraals en afstandelijks heeft, maar regelrecht met eigen ogen gezien. Dat wil zeggen: precies zoals hij het in zijn hartstochtelijke verzuchting van 19:25-27 geuit had. Ik heb dat in sectie B een credo genoemd. We kunnen zeggen: hier in 42:5 is dat geloven inderdaad tot aanschouwen geworden, tot een zíen en ínzien van iets dat hem tot nu toe volstrekt duister was gebleven. Nog weer anders gezegd: Elihu’s wolkendek is opeens even doorbroken, Job heeft immers JHWH aan het werk gezien als de bestrijder van chaos. Dat wil ook zeggen: als bestrijder van die chaos die Job zo deerniswekkend grof en hard heeft getroffen.
En dan het befaamde volgende vers, 42:6. Ook hier kan verrassend nieuw licht op vallen. Ik ben op het spoor daarvan gezet door de voormalige Leidse oudtestamenticus P.A.H. de Boer (die zich helaas weer niet uitlaat over de mogelijke betekenis van vers 5 en de godsredes waarop díe uitspraak betrekking heeft; De Boer: 1977). Ik ga eerst op de details van de He­breeuw­se tekst in. Deze luidt in transscripte:

 

‘al-ken ‘èm’as wenichamtî
‘al-‘aafaar waa’eefèr.

De eerste vraag is wat het verzwegen object is van het werkwoord m’s. Men pleegt aan te vullen: ‘mijn woorden. mijn protest’ of iets soortgelijks. Het ligt eerder voor de hand om dit werkwoord op te vatten zoals het bijvoor­beeld in Job 7:16 gebruikt wordt, ook daar absoluut. Het betekent daar zoveel als ‘verwerpen’, met als verzwegen object ‘het bestaan’; Job zegt daar dan zoveel als:

 

‘Ik verwerp (of: veracht) het (mijn leven),
ik hoef niet eeuwig te leven!

De tweede kwestie betreft het werkwoord (in nif’al) nicham. De traditionele opvatting vat dit werkwoord wél absoluut op, terwijl het hier nu juist, in het tweede lid van de uitspraak, gevolgd wordt door het voorzetsel ‘al en wat daar verder op volgt. De combinatie nicham ‘al vinden we zeventien keer in de Hebreeuwse bijbel, ook met goddelijk subject (bijvoorbeeld Exodus 32:12). De scala van betekenissen varieert van ‘vertroost worden door’ tot ‘spijt hebben van, terugkomen op’. Maar bij die alle is er niet één met locatieve betekenis.
Juist dat veronderstelt een vertaling als ‘Ik doe boete in stof en as’ (NBG), of ‘Ik buig mij zoals ik hier zit in het stof en het vuil’ (NBV). Ja, Job zit op de mestvaalt zogezegd, in het vuil. Maar dat stof was al in 2:12 allereerst een teken van rouw en beklag. Wanneer het nicham ‘al (ook) hier inderdaad wil zeggen: ‘terugkomen op, achter zich laten’, heeft dat allereerst betrek­king op het stof als teken van rouw. Samen met het m’s in de zin van ‘ver­werpen’, roept Jobs uitspraak iets geheel anders op dan boete en berouw.
Wat hem berouwt, is dan eerder de rouw zelf. Wat hij verwerpt, is tot op zekere hoogte inderdaad zijn protest, maar dan niet omdat hij zich totaal verpletterd voelt door de macht van JHWH en zich navenant schaamt over zijn opstandige woor­den. Hij heeft immers JHWH ‘gezien’ als zijn bondge­noot tegen de chaos! En dat is voor hem totaal nieuw, een perspectief dat alles een andere kleur geeft. Niet voor niets erkent hij in de voorafgaande verzen 2-4 (vergelijk dus 38:2 en 3) dat hij dit tot nu toe absoluut niet had begrepen. Maar nu, na datgene wat hij ‘gezien’ heeft, is alles gekanteld. Door filologische gegevens gesteund, gespitst op de dramatische voort­gang van het geheel, en niet bij voorbaat gestempeld door een dogmatisch bepaal­de visie, kunnen we tot de volgende vertaling van 42:6 komen (met een modale uitdrukking van de yiktol-vormen:

 

Daarom wil ik verwerpen/herroepen en terugkomen
op stof en as.

 

Een wat vrijer geformuleerde weergave zou kunnen luiden:

Daarom wil ik ermee stoppen,
stof en as achter mij laten.

 

E SLOTSOM

Het boek Job stelt op dramatische wijze en in dramatische volgorde de oervraag van het ‘waarom’ aan de orde. Jobs lijden, zijn klacht, zijn woede over de redeneringen van de vrienden, zijn herkenbaar voor ieder die weet heeft van de blikseminslagen en schroeiplekken in eigen bestaan.
De boodschap van het geschrift is niet dat, mét erkenning van de wreed­heid van het bestaan, het goddelijk bestel achter dat alles ondoorzichtig zou blijven, zoals de zon zich achter een dik wolkendek kan schuilhouden. Ook is de boodschap niet dat de nietige mens zou moeten zwijgen tegenover een God als Ontzagwekkende, die zich in zijn macht aan alle naspeur­baarheid zou onttrekken. Om misverstand te voorkomen: de boodschap is nog minder dat het ook wel weer een beetje zou meevallen, het lot van Job en van degenen met wie hij ‘op voet van gelijkheid gaat over de aarde’. Het valt helemaal niet mee. Het is hemeltergend of zo men wil: ten hemel schreiend, zoals de drie vrienden aanvankelijk met hun gebaar uit 2:12 terecht laten zien. Met recht en reden voert Job dan ook zijn rechtsgeding: hem is ten onrechte onheil en groot leed aangedaan.
Al dat leed ís er. En er is vooral veel onverdiend leed, waar geen enkele eigen schuld als ‘oorzaak’ aan voorafgaat, waar dan ook geen enkele dogma­tische redene­ring tegen opgewassen is. Zeker niet een dogma dat denkt alles terug te kunnen voeren (of zelfs: te moeten terugvoeren!) op de grillen van een overmachtige godheid. Om nog eens Miskotte aan het woord te laten, tussen een eerste wereldoorlog en een tweede nog gruwelijker in: ‘De tijd is voorbij dat wij kalm elkander Gods Raad konden uitleggen; de tijd is voorbij dat wij als oprechte mensen ons konden neerleggen bij de “verklaringen” van het lijden’ (nu in Miskotte: 1994, 231; hij zou zelf in zijn leven nog een al even gruwelijke gebeurtenis doormaken).
De boodschap van het boek Job lijkt mij eerder deze: de Schrift kent een God die niet de bron is van chaos en lijden, maar de bestrijder ervan. En daarin is hij voor de mens een bondgenoot voor het leven.

 

Noten

Noot 1: Vanaf hier geldt: als er geen nadere aanduiding staat, geldt de verwijzing het boek Job. Doorgaans citeer ik (vaak wel vrij) de vertaling van het Nederlands Bijbelgenoot­schap (NBG) en de in 2004 verschenen Nieuwe Bijbelverta­ling (NBV). In hoofdstuk 38-41 wijkt de versnumme­ring soms af van die in andere vertalin­gen: 38:39-41 = 39:1-3; 39:1-30 + 40:1-6 = 39:4-38; 40:6-32 = 40:1-27; en 41:1-26 = 40:28-41:25.

Noot 2: Ik doe dat met behulp van cursiveringen. Ook Hebreeuwse termen, fonetiscch weergegeven, zijn gecursiveerd.

GEBRUIKTE LITERATUUR

De Boer, P.A.H. 1977. Haalt Job bakzeil? in Nederlands Theologisch Tijd­schrift 31 (1977), 181-194.
Keel, O., 1972. Die Welt der altorientalischen Bildsymbolik und das Alte Testament, Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft (19842).
-, 1978. Jahwes Entgegnung an Ijob. Einde Deutung von Ijob 38-41 vor dem Hintergrund der zeitgenössischen Bildkunst, Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht (FRLANT 121).
Miskotte (2 x); zie Aanvulling
Schuman, N.A., 1993. Gelijk om gelijk. Verslag en balans van een discussie over goddelijke vergelding in het Oude Testament, Amsterdam: VU Uitgeve­rij.
-, 2008. Drama van crisis en hoop. De psalmen gedicht, gebundeld en gebeden, Zoeter­meer: Meinema.
Vos, Cas, 2006. ‘n Hand vol wind. Die stem van die Prediker vir ons tyd, Wes-Kaap: ABC Boekdrukkers.

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *