Auteur: Niek Schuman

‘Alle begin is moeilijk’, zeggen we vanouds. Nu ik nog weer eens goed ging nadenken over het begin van de kerkdienst, en na de nodige literatuur daarover nog eens te hebben doorgenomen, kan ik dat alleen maar grondig beamen. Het moge overdreven lijken, maar voorlopig houd ik het er toch maar op: dìt begin is misschien wel het moeilijkste.

Het verbaast me soms met hoeveel stelligheid her en der uitspraken worden gedaan over de meest gewenste gang van zaken bij de zondagse liturgie. (Om misverstand te voorkomen: de hieronder genoemde literatuur bedoel ik nu juist niet.) Historische argumentatie is daarbij voor sommigen even gewichtig als principiële argumentatie dat is voor anderen. Beide benaderingen vinden elkaar hierin, dat ze de neiging hebben op een wat dwingende wijze prescriptief te worden: ‘Hoe hoort het? Zò hoort het eigenlijk!’. Nu, zonder principiële overwegingen èn zonder respect voor historische gegevens gaat het ook voor mij eenvoudigweg niet. Tegelijk wil ik evenwel ook op dit punt pleiten voor de nodige relativering: ‘Het kan zò, maar het kan, mits weloverwogen, ook anders’. Dit geldt niet het minst voor dat zo moeilijke begin van de eredienst.

Drempelritueel

In zijn stuk over de voorbereiding op de kerkdienst, thuis en in het kerkgebouw, komt Ko Joosse uit bij een aantal eenvoudige rituelen die ons letterlijk en figuurlijk over de drempel tillen. Het gaat dan om de huiselijke mededelingen door de ouderling van dienst, het aansteken van de paaskaars en mogelijk andere kaarsen, de binnenkomst van kerkenraad en voorganger(s), en een moment van stilte. ‘Het zijn echte drempelrituelen, die de overgang van de gewone wereld naar de wereld van de Eeuwige mogelijk maken’, aldus Ko Joosse aan het slot van zijn bijdrage.
Hier wil ik direct bij aansluiten, en dan nog wel het meest bij dat moment van stilte als deel van het drempelritueel. Maar dan? Kijken we naar enkele officiële en officieuze orden van dienst, dan zien we zelfs nu, na alle wederkerige, oecumenische beïnvloeding van elkaar, nog opvallende verschillen. Dat begint al bij de benaming van de rubriek(en) zelf. Hieronder volgt een klein overzicht van de gang van zaken tot wat op het ene hoofdspoor ‘kyrie en gloria’ heet, op het andere ‘verootmoediging’. Het is beperkt tot het huidige Rooms-Katholiek Missaal, het Oud-Katholiek Kerkboek, en het Dienstboek van de SoW-kerken; alles wat hieraan voorafgegaan is, blijft hier dus buiten beschouwing.

Missaal Kerkboek Dienstboek
Introïtus Introïtus Intrede A of B
– binnenkomst – binnenkomst (na binnenkomst/stilte)
(meest onder zang) (meest onder zang) – psalm/intredelied, of nà:
– ‘In de Naam …’
(Begroeting) (Inleiding)
– apostolische groet – apostolische groet – apostolische groet en
of gebedsgroet of ‘Ik zal opgaan’ – ‘Onze hulp’
(Boeteritus) (Schuldbelijdenis) – A: gebed van toenadering
– moment van stilte – ‘Onze hulp’ – A: ‘Kyrie/Gloria’
en een schuldbelijdenis – een schuldbelijdenis – B: verootmoediging
(keuze uit drie, waaronder (keuze uit twee) – B: Tien woorden
een ‘Kyrie’)
(Hymne) (Kyrie eleison) (zie bij Intrede A)
– ‘Gloria’ (Gloria) (idem)
(Collectagebed) (Gebed van de dag) – gebed van de zondag, of:
– gebed om de Geest

Erg transparant is dit allemaal niet. Missaal en Kerkboek onderscheiden diverse kleine rubrieken (in Missaal echt rood gekleurd) binnen die ene hoofdrubriek die het Dienstboek nu Intrede noemt; in de ‘katernen’ heette dat eerste deel van de dienst nog Voorbereiding. Dat hoeft nog niet zo principieel opgevat te worden (het Dienstboek kent die onderverdeling uiteindelijk ook, zie Toelichting, 862-872). Wel laat het zien dat het echt waar is: het begin van de feestelijke viering op zon- en feestdagen is blijkbaar hoe dan ook moeilijk. Wie op zoek gaat naar de redenen hiervan, stuit op wat ik in het begin aanduidde: op diverse argumentaties van principiële en historische aard. Zie bijvoorbeeld de uiteenzettingen terzake van A.C. Barnard, Van der Zee, en het Dienstboek. Het lijkt me onnodig dit hier allemaal nog eens te herhalen; lezers en gebruikers van deze periodiek zijn voldoende op de hoogte. Ik beperk mij daarom tot een overzicht van de – waarschijnlijk ook al wel bekende – overwegingen bij het meest directe begin van de eredienst.

Overwegingen

  1. Men kan nadrukkelijk en bewust beginnen met een intocht/introïtus. Wil het die benaming eer aandoen, dan zal het wel een echte ‘intocht’ moeten zijn, dus een of andere vorm van binnenkomst die met beweging gepaard gaan. Maar wie komen er dan binnen? Voorganger en (een deel van) de kerkenraad? Dat strookt niet bepaald met de reformatorische opvatting inzake ambt en ambtsdragers. Zeker wanneer men bij déze vorm van intocht ook een zo geheten intochtspsalm of intochtslied zingt, is er reden om te spreken van een ‘minder passend gebruik’ of gewoon van ‘malligheid’ (Van Leeuwen, 155; Schuman, 167).
    Toch kan een vorm van intocht zinrijk zijn als markering van het eigenlijke begin van de dienst. Men zou dan kunnen denken aan wat het Dienstboek meer impliciet dan expliciet wel suggereert: een zekere optocht van iedereen die aan deze eredienst iets bijdraagt, in welke vorm dan ook. (Zie Toelichting, 861-862; formeel rekent het Dienstboek dit overigens tot de ‘Opgang’, niet tot de ‘Intrede’). Die optocht annex intocht kan bijvoorbeeld uitmonden in het aansteken van de kaarsen (vergelijk Joosse, 217). Deze vorm van introïtus onderstreept het ‘democratische’ karakter van de eredienst in het algemeen, van de eredienstelijke ambten en taken in het bijzonder.
    In dit verband nog een opmerking over ‘de intochtspsalm’. Het is goed dat het Dienstboek heeft afgezien van de suggestie dat er zoiets zou bestaan als de introïtus- of intochtspsalm voor iedere zondag. Wil men van een eigenlijke ‘zondagspsalm’ spreken, dan zou die betiteling beter kunnen gelden voor de zang na de eerste schriftlezing, die uit het Oude Testament (‘antwoordpsalm’, ook nog wel ‘graduaal’ genoemd). Op zondagen en feestdagen met sterk eigen kenmerk, zal deze antwoordpsalm trouwens ook als eerste lied al aan de orde gekomen zijn; zie bijvoorbeeld het begin van adventstijd of van veertigdagentijd.
  2. Men kan ook heel bewust de dienst pas laten beginnen met de groet. Het Dienstboek onderscheidt de eigenlijke apostolische groet (‘Genade zij u…’ of een andere) en de ‘gebedsgroet’ (‘De Heer zij met u…’). Als echt begin geldt de apostolische groet, en dan ook inderdaad niet iets anders en vooral niet iets méér dan die woorden. Met dat laatste doel ik op de blijkbaar onweerstaanbare behoefte van menig voorganger om hier toch zoiets als een huiselijke begroeting of zelfs een heel ‘praatje’ van te maken, al gauw in wat populariserende stijl. Zowel het befaamde ‘Goede morgen gemeente!’, als ook een uiteenzetting over aard en thema van de dienst, lijken mij hier niet op hun plaats.
    Om dat te voorkomen, is het inderdaad aan te bevelen om de apostolische groet direct te vervolgen met het ‘Onze hulp’, ook wel ‘votum’ genoemd, en nu dan weer als ‘bemoediging’ aangeduid. In feite is juist dit ‘votum’ het klassieke beginwoord van de eredienst sinds Calvijn (Basel), respectievelijk in Nederland sinds de synode van Dordrecht 1574. Een grondige verhandeling hierover geeft Barnard, die stelt dat het votum/de bemoediging het enig juiste begin van de dienst zou zijn, maar ook een aantal varianten opsomt naast de bekende tekst van Psalm 124:8. Hij noemt naast enkele vrije bewoordingen van nieuwtestamentische teksten als Romeinen 11:36 of Openbaring 1:8 ook korte woorden uit psalmen als Psalm 65, 95 of 121. Mijns inziens is dit interessant, omdat in deze psalmteksten feitelijk alle elementen zijn terug te vinden van wat wij ‘drempelgebed’ noemen of ‘gebed van toenadering’.
  3. Ook over dit drempelgebed is inmiddels veel geschreven. Wat meer is: het Dienstboek biedt een royale keuze van teksten hiervoor (pagina 771-777). In de meeste hiervan is het element van een schuldbelijdenis opgenomen, soms zelfs behoorlijk zwaar aangezet. Dat kan, zeker wanneer op het spoor van Intrede A het nu volgende ‘Kyrie’ expliciet wordt betrokken op ‘de nood van de wereld’. Hoewel het niet meer strikt hoort tot het onderwerp van deze bijdrage, pleit ik er toch maar voor om hierbij uiterst, maar dan ook echt uiterst sober te zijn: we geven elkaar direct aan het begin wel erg veel te verwerken met een drempelgebed annex ‘confiteor’; bovendien komen straks de voorbeden nog, en dat is de plaats voor gearticuleerde gebedsteksten.
    Als het over het drempelgebed gaat, ga ik altijd weer met een soort weemoed lezen wat Herman Wegman daarover schreef, in het stuk dat in Eredienstvaardig heel kort vóór zijn dood werd gepubliceerd. Hij zocht, nog steeds; en niet het minst als het erom ging hòe aan het begin van de liturgische viering uitdrukking te geven aan ‘ons aandeel in het mondiale wel en wee (…), aan de beleving van onze eredienst aan de Onzienlijke als dienst aan elkaar’. In het bewuste artikel kwam hij tenslotte tot een pleidooi voor de stilte, om die te laten spreken. Moet er toch ook nog wat worden gezegd, daar in het begin, dan toch maar het liefst met de eschatologisch gevulde woorden van Psalm 43:3 en 4: ‘Ik zal opgaan tot Gods altaar’.

Kort en krachtig

Wegman heeft heel kort daarna de drempel naar het land aan de overzijde gepasseerd. Wij hìer zullen er nog naar moeten blijven zoeken, om het in de verbeelding van de liturgie in woord en gebaar uit te beelden. Mijn persoonlijke voorkeur sluit aan bij wat Wegman in elk geval suggereerde: laat het begin van de dienst kort, krachtig, sober en daardoor sterk zijn. Doe het de gemeente niet aan om al direct met woorden en nog eens woorden te worden overladen, ook (of juist) al zijn die woorden alle bedoeld als het ene gebed na het andere. En daarom, hoewel het heel goed mogelijk is om met alle door het Dienstboek geboden teksten het spoor van Intrede A òf van Intrede B begaanbaar te houden, zou ik zelf het in elk geval sóms wel eens als volgt willen doen. (De zakelijke mededelingen zijn al gedaan, of worden op andere wijze bekendgemaakt.)

  • De dienst begint met een intocht, vanuit de consistorie, van allen die bij voorbereiding en/of uitvoering van de dienst zijn betrokken, dus inderdaad állen. De ‘opgang’ wordt ‘intrede’. Deze intocht mondt uit in het aansteken van kaarsen, en misschien nog een ander ritueel, waarbij een openingslied wordt gezongen (liefst wel een psalm, hoeft niet).
  • Dan volgt een stilte, een echte, al hoeven we nu ook weer niet ‘Taizé’ lukraak naar de eigen wijkkerk te verplaatsen.
  • Vervolgens spreekt de voorganger (van dat moment) een tekst uit die goed voorbereid is en gelegenheid biedt voor een enkele, sobere, actuele invulling. Hier zou inderdaad een compilatie van psalmwoorden uitstekend dienst kunnen doen. Met Psalm 65:
    U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion,
    U worde gelofte (votum!) betaald;
    hoorder van het gebed,
    tot U komt al wat leeft (… een naam, plaats, gebeurtenis?).Ongerechtigheden hadden de overhand over mij –
    onze overtredingen, Gij verzoent ze.Gelukkig de mens die Gij verkiest en doet naderen
    om verblijf te houden in uw voorhoven.
    Wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis,
    met het heilige van uw paleis.
  • Een hymne (het echte ‘groot Gloria’, of een ander hymnisch gezang) sluit de opening af.

Wat mij betreft is het dan om zo te zeggen gedaan. Het gebed van de zondag of het gebed om verlichting met de heilige Geest markeert de overgang naar het tweede deel van dienst. Zoals gezegd, zo mòet het al helemaal niet. Zo zou het alleen misschien ook wel eens kunnen, al was het maar om de vaart op de weg van de liturgie erin te houden.

  • Dienstboek – een proeve, Zoetermeer 1998.
  • Kerkboek voor de Oud-Katholieke Kerk van Nederland, Baarn 1993.
  • Romeins Missaal (editie Latijn/Nederlands), Utrecht 1980. – A.C. Barnard, Die erediens, Pretoria 19852), spec. 533-543.
  • J. Joosse, ‘De voorbereiding op de kerkdienst’. Eredienstvaardig 15 (1999), 214-217.
  • M. van Leeuwen, ‘Om te beginnen’, in: P. Oskamp/N.A. Schuman (red.), De weg van de liturgie, Zoetermeer 19982), 154-164.
  • N.A. Schuman, ‘De Psalmen’, in: De weg…, 165-175.
  • H. Wegman, ‘Drempelgebed?’, Eredienstvaardig 11 (1995) 137-140.
  • W. van der Zee, Van alle tijden en plaatsen, Zoetermeer 1992, spec. 18-33.

Niek Schuman, ‘Over het drempelgebed’, verschenen in Eredienstvaardig 16 (2000) 11-13

Tags: , ,