Auteur: Niek Schuman

De psalmberijming is het wel meest kenmerkende cultuurgoed van het nederlands protestantisme. Nu vraagt het vertalen van de psalmen al de nodige concessies, maar hoe groot zijn de concessies niet die bij het berijmen en op metrum brengen gedaan moeten worden? Waar houdt de oorspronkelijke psalm op en waar begint de inkleuring door de dichter? Maar ook de manier waarop ‘wij’ vandaag de dag met de psalmberijming omgaan kleurt de psalmen. Enkele mijmeringen over psalmberijmingen.

Als Martin Levie gedurende zijn onderduik voor de nazistische jodenjacht bij wijze van tijdspassering psalmen gaat vertalen uit het klassieke Hebreeuws, stuit ook hij op de moeilijkheid om het eigene van deze geloofsgedichten in vertaling weer te geven. Als eerste voorbeeld noemt hij Psalm 42:8; de ‘Ik’ beschrijft hoe hij in de oervloed van onheil ten onder dreigt te gaan. Levie vertaalt:

Afgrond naar afgrond roept / met de stem Uwer watervallen;
al Uw brekers en Uw rollers, / over míj zijn zij heengegaan.

Vele anderen hebben op hun beurt geworsteld met de uitdaging om het vertalen niet tot verraden te maken. Om bij dit voorbeeld te blijven, voor mij springt nog steeds de weergave van Ida Gerhardt eruit, stroef maar treffend:

Kolking roept kolking op / waar daverend water stort,
wieling en waterval – / op mij loopt alles storm.

Maar nu berijmd, of minstens zó dat het strofisch gezongen kan worden. Nu is de vrijheid van de dichter per definitie ingeperkt: het moet immers op enigerlei wijze rijmen of in elk geval passen in de muzikale ritmiek. In de bewerking van de ‘vroege’ Oosterhuis werd het dit:

Ik ben zielsbedroefd, / ik denk aan U –
al uw brandingen beuken mij, / golven slaan over mij heen.

Levie zou de alliteratie in de tweede regel toejuichen, maar ook betreuren dat de bedoeling van de Hebreeuwse woordvolgorde onvoldoende gehonoreerd is. De ‘Ik’ accentueert immers dat juist hij geraakt is (Levie 9v.; vergelijk Gerhardt).
Hoe is het dit psalmvers vergaan in de nog strikter gestileerde berijmingen die in de protestantse kerken van Nederland gebruikelijk waren en zijn? In menige gemeente van de bevindelijk gereformeerde vleugel houdt men het nog bij de versie van Petrus Datheen (1566):

Al de grote waterstromen / zijn, Heer, over mij gegaan,
en mij over ’t hoofd gekomen. / Maar Gij hebt mij bijgestaan.

De berijming’ 1773, ook nog altijd her en der gezongen, hield het hierop:

’k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, / daar ’t gedruis der waat’ren groeit,

daar uw golven, daar uw baren / mijn benauwde ziel vervaren.

Twee honderd jaar later, in 1973, bood de nieuwe berijming het vers zo aan:

Watervloed roept watervloed. / Aller diepten euvelmoed
heeft mij met geweld bedolven: / al uw baren, al uw golven!

Merkwaardig eigenlijk dat in de meest recente berijming een woord gebruikt wordt waarvan de eigenlijke betekenis (kwaadaardigheid) door velen niet meer herkend zal worden. Daar staat tegenover dat juist (ook) dit woord goed spoort met de teneur van de psalm. Daarin waart niet zomaar een of ander onheil rond; het is een honende horde van kwaadaardige lieden die, zoals vaak in de psalmen, de bidder dodelijk bedreigen (zie met name vers 11).

Kan men bij vergelijking van diverse bewerkingen en berijmingen al veel eigenaardigheden op het spoor komen, de mij gestelde vraag betrof vooral die van het eigen theologische en pastorale ‘klimaat’ ervan. Anders gezegd: zijn die berijmingen niet ook, misschien zelfs wel vooral, bepaald door een dogmatisch gekleurde omgang met de psalmen? De vraag stellen is haar beantwoorden, zou men denken. Omdat het andere nauwelijks denkbaar is: dat het godsdienstige klimaat van berijmers – hun ‘geistige Heimat’ – niet hun omgang met de psalmen zou bepalen. De protestant die met de Heidelberger Catechismus groot geworden is, zal dat wat hij daaruit geleerd heeft terugvinden in de zo geheten smeek- en boetepsalmen: ellende, verlossing en dankbaarheid – het staat er voor hem allemaal in. De katholieke gelovige, zo stelde nog maar een halve eeuw geleden de exegeet Pius Drijvers, zal precies zo als vanzelf de volle beleving van de psalmen terugvinden in het mysterie van de heilige Mis en de overige sacramenten (Drijvers 173). Bij het laatste moet dan wel aangetekend worden, dat de gemiddelde katholieke kerkganger zich niet of nauwelijks ervan bewust geweest zal zijn, dat in de diverse ‘rubrieken’ van de eucharistieviering (gedeelten van) psalmen klinken die daarbij precies lijken te passen (zie Touwen). Anders gezegd, de psalmen lijken bestaande religieuze overtuigingen van deze of gene christelijke traditie en liturgie te bevestigen. In het verlengde hiervan zouden de psalmberijmingen op hun beurt duidelijk het stempel hiervan dragen.

Psalm zoveel

Toch vraag ik mij af of deze in feite dogmatische inkleuring inderdaad in de berijmingen zelf overheerst. Onmiskenbaar is dat soms gebeurd; hieronder zal ik daarvan een voorbeeld geven. Maar er is mijns inziens een andere hoofdreden dáárvoor dat het soms lijkt alsof de voorchristelijke psalmen al de kenmerken dragen van latere, typisch katholieke of protestantse tradities. Ik denk dan vooral aan de selectie van bepaalde psalmen en aan de nadere beperking die gelegen is in de keuze van (uit hun verband losgemaakte) onderdelen daarvan. Dus: Psalm zoveel, en wel die en die verzen. ‘Psalm zoveel’ houdt dan in dat sommige psalmen regelmatig terugkeren bij een vast onderdeel van de dienst, vele andere zelden. ‘Dat en dat vers’ betekent al gauw dat de psalm als geheel niet echt kan uitspreken, zodat daardoor de eigenlijke teneur ervan miskend wordt.

Ik noem een voorbeeld dat ik mij zelf goed herinner, nog ruimschoots in de periode van de oude berijming. De predikant ging voor in een (veel te lang) gebed van schuldbelijdenis en liet vervolgens zingen: ‘Psalm 6:1 en 2’. Al kreunend kwam dan dit eruit:

O HEER, Gij zijt weldadig, / straf mij niet ongenadig/
in uwen toornegloed.
Ai, matig uw kastijden, / sla mij met medelijden,
gelijk een vader doet.

Vergeef mij al mijn zonden, / die uwe hoogheid schonden:
ik ben verzwakt, o HEER.
Genees mij, red mijn leven! / Gij ziet mijn beend’ren beven;
zo slaat uw hand mij neer.

 

Daarna sprak dominee een genadeverkondiging uit, ‘beantwoord’ met het berijmde vers 9, na een krachtige, opwekkende modulatie van het orgel:

De HEER wild’ op mijn kermen / zich over mij ontfermen:
Hij heeft mijn stem verhoord.
De HEER zal op mijn smeken / geen hulp mij doen ontbreken:
Hij houdt getrouw zijn woord.

Het woordje ‘zonden’ viel dus inderdaad, terwijl de psalm zelf daarvan niet rept (niet hier, in Psalm 51 bijvoorbeeld wel). De om het rijm gekozen uitspraak over schending van Gods hoogheid verzwaart het gewicht daarvan. Op zich komt de treurige sfeer van die eerste coupletjes goed overeen met het eerste deel van de psalm zelf. Maar het was te wijten aan de selectie van juist die versjes dat de verdere teneur van de psalm ons ontging. Er is doodsdreiging bij de ‘Ik’, er zijn vijandige belagers, en de Eeuwige zelf lijkt woedend te zijn geweken. De reden daarvan blijft in het vage – juist dat maakt de psalm zo onheilspellend. Tot het einde. Want dan klapt het om. De ‘genadeverkondiging’ blijkt hierin gelegen te zijn, dat de belagers smadelijk de aftocht moeten blazen. Muus Jacobse (Klaas Heeroma) doet daar in de berijming 1973 nog een schepje bovenop door heel subtiel het beeld van de dood weer op te roepen, maar nu richting belagers:

Waar zijn zij die mij jaagden, / die mij ter dood belaagden?
God sloeg ze met zijn schrik!
Zij werden zelfs als doden, / zij zijn beschaamd gevloden
als in een ogenblik!

davidisering christologisering messianisering

Er zijn veel meer voorbeelden te geven van wat ik hier bedoel. De keuze van een bepaalde psalm op een bepaald liturgisch moment brengt al een interpretatie met zich mee, die tot op zekere hoogte ook een beperking impliceert. Dat geldt in sterkere mate voor de selectie van (al dan niet berijmde) delen van die psalm. Alvorens alleen al om die reden het pleidooi te voeren voor het ‘dóórlezen’ en ‘dóórzingen’ van de psalmen (currente psalterio, zoals dat deftig heet), wil ik toch ook erop wijzen dat de ‘selectieve’ leeswijze in feite volop gepraktiseerd wordt in de evangelies en de apostolische geschriften. Ook daar wordt immers her en der een psalmtekst aangehaald ter ondersteuning van het verhaal of het betoog van evangelist of apostel. En eigenlijk is dat hermeneutisch niet alleen onvermijdelijk, maar in feite ook noodzakelijk. Ook een psalm heeft niet één betekenislaag, zo min als andere – in dit geval: religieuze – literatuur, maar een in principe onuitputtelijk reservoir aan betekenissen. In de ene ‘Ik’ zijn zoveel ‘ikken’ opgenomen als er mensen zijn die psalmen zeggen of zingen.
Dat is naar mijn overtuiging ook het aanknopingspunt voor de ‘davidisering’ in de joodse, de ‘christologisering’ in de christelijke traditie. (Ik zie die twee in één lijn liggen, die van ‘messianisering’; zie daarvoor mijn boek over de psalmen.)

dóórzingen en dóórlezen

Terug naar het pleidooi van hierboven. In de kloosterzang is het normaal om (onberijmde) psalmen als geheel te zingen, vaak ook in hun volgorde. In een ‘gemiddelde’ gemeente zal dat niet gauw een reële optie zijn. Anders is het gesteld met de mogelijkheid om aan de beperkende selectie binnen een psalm een einde te maken. Het is de moeite waard om op te halen dat destijds Martinus Nijhoff dat al nadrukkelijk bepleitte. Toen hij gevraagd werd mee te werken aan een nieuwe psalmberijming – die van 1973 – aarzelde hij. Hij zag er alleen maar het nut van in ‘als men de verzekering had, dat er voortaan nimmer brokstukken van psalmen gezongen zouden worden, maar dat deze zouden worden gecomplementeerd door voordracht. Er zal dan eindelijk gebroken worden met de belachelijkheid dat men van een gedicht slechts een gedeelte te horen krijgt’. Hij zei er bij: ‘Men zal dan immers de psalmen als poëzie kunnen voordragen, niet uitsluitend zingen’ (bij Schuman, 243).
Wat Nijhoff hier als dichter bepleit, zou ook theologisch een grote stap vooruit betekenen. Ik hoop dat enigszins aannemelijk te hebben gemaakt.

  • Drijvers, Pius, Over de psalmen: een inleiding tot hun betekenis en geest, Utrecht 1964.
  • Levie, Martin, Psalmen: ingeleid, vertaald en toegelicht, Amsterdam (Ten Have) 1967.
  • Schuman, Niek, Drama van crisis en hoop: de psalmen gedicht, gebundeld en gebeden, Zoetermeer (Meinema) 2008.
  • Touwen, Klaas, ‘Kleine liturgische catechese’, Liter 4, nr. 19 (2001) 87-95.
Tags: