Auteur: Niek Schuman

Je moet het eigenlijk ter plekke zien: de absismozaïek van de San Clemente in Rome. Je moet er ook veel tijd voor nemen, want hier wordt even beeldend als boeiend les gegeven. Een groep Romeinse kunstenaars uit de twaalfde eeuw na Christus vond ooit vorm en kleur voor wat hun onderwezen was inzake de theologie van het kruis. En wij laten ons, zo stel ik voor, op onze beurt door hén weer onderwijzen.
De blik wordt onmiddellijk getrokken naar het centrum in de koepel van de absis. Daar staat het kruis, horizontaal en verticaal bezet door respectievelijk twee plus twee en drie plus vijf, samen twaalf witte duiven. Zij zijn het immers, de twaalf apostelen, die de boodschap van het kruis aan de wereld toegestuurd hebben, om zo te zeggen. In andere gedaante zien we hen opnieuw in de brede onderband, nu als twaalf schapen, zes uit Bethlehem (links), zes uit Jeruzalem (rechts), toegekeerd naar het lam Gods in hun midden.
Terug nu eerst naar het kruis, op gebruikelijke wijze geflankeerd door moeder Maria en de apostel Johannes. De wijze waarop al met al de gekruisigde Jezus hier een kernboodschap belichaamt, komt aan het slot van dit stuk aan de orde. Eerst kijken we naar de voet van het kruis. Dat blijkt te ontspringen aan welig groen, dat met zijn grote grondbladeren op een acanthusstruik lijkt <1>. Daaraan ontspruiten weer twee enorme bladslingers als gestileerde wijnranken. Naar links en rechts vormen deze vijf maal vijf spiralen met uitbottende wijnranken, die op hun beurt planten, vogels, vissen en andere versieringen omlijsten.

Kerkleraars

Tussen de spiralen bewegen zich, op gelijke hoogte met de voet van het kruis, twee maal twee ‘leraren der kerk’, allen uit de vierde eeuw na Christus. Zoals wij nu tegen het mozaïek aankijken, zien we links Augustinus en Hiëronymus, rechts Gregorius en Ambrosius. Waarom viel de keus op hen? Ik zal het moeten raden, we kunnen het in elk geval niet meer vragen aan de figuren die – in veel minder wit gewaad – wat verscholen tussen hen in staan (op hen kom ik nog terug). En ik houd het hierop: deze vier zijn allen te beschouwen als de verkondigers bij uitstek van de betekenis van het kruis als boom des levens. Augustinus met zijn unieke concept van de ‘totale Christus’, wiens stem als mens voor de mensen speciaal in de psalmen opklinkt zowel uit grondeloze diepten als in de hoogste hoogten <2>. Hiëronymus: de geleerde asceet, die in een klooster te Bethlehem de bijbel vertaalde in het Latijn en deze daarmee toegankelijk maakte voor de toenmalige Westerse wereld. Dan Gregorius – maar welke? Daar zijn er meer van. Misschien is Gregorius van Nazianza bedoeld, één van ‘de drie grote Cappadociërs’, wiens kerstpreek in Constantinopel 379 zo befaamd is geworden. Een andere mogelijkheid is Gregorius ‘de Grote’, de Romeinse paus uit de zesde eeuw, wiens gregoriaanse liturgie tot vandaag de dag toe her en der de toon zet. En dat zou dan wel weer goed passen bij de laatste in de rij: Ambrosius van Milaan, de dichter van oudchristelijke hymnes.

Gulle gevers en gewone mensen

De vier kerkleraren wijzen op het kruis, ze verwijzen ons zogezegd door. Maar tussen hen in staan nog twee andere figuren, die eigenlijk niet goed zijn thuis te brengen. Het meest waarschijnlijk is wel de volgende ‘lezing’. De mecenas die het ooit mogelijk maakte dit mozaïek te laten vervaardigen, wilde ook zichzelf, zijn gezin en zijn verdere huispersoneel in het geheel laten opnemen. Gulle gevers horen in de rij van grote kerkleraars! En zo zien we dan, weer van links naar rechts, een soort majordomus, die een stuk brood uit een broodkorf heeft gehaald en dat aan een vogel als voedsel voorhoudt. Dan drie kinderen in fraaie gewaden, vermoedelijk de kinderen van de huisheer. Hem zelf zien we, samen met zijn vrouw en nog een kind (?) rechts van het kruis. En tenslotte, weer rechts daarvan, dus tussen Gregorius en Ambrosius, een man met tonsuur en monniks- of priestergewaad. Ook hij (huiskapelaan van de mecenas?) geeft eten en drinken aan een vogel.
De rij daaronder is gevuld met minder hoog geplaatste ‘gewone mensen’. Het is één en al landelijkheid daar. Links voedert een vrouw haar duiven en kippen, terwijl een herder zijn schapen hoedt (slagwapen in de hand, want zelfs hier kunnen wilde dieren toeslaan). Herders en schapen vervolgen ook rechts hun weg, nu met een humoristisch tintje: de herdersleerling die eerst naar zijn werk gestuurd wordt, is even verder amechtig neergezegen op een schapebil. De landelijkheid van het geheel wordt versterkt door de beelden van een vogelkooi en (misschien) een bijenkorf.

Meer naar het midden, nog steeds op de onderste rij, paraderen in al hun glorie twee pauwen, vanouds zinnebeeld van paradijselijk leven in onsterfelijkheid. Zij flankeren dan ook een zeer belangrijke scène aan de voet van het kruis. Nog wat preciezer gezegd: de scène interpreteert het kruis voluit als levensboom. Dat was al duidelijk geworden door de acanthus met zijn uitlopende wingerds, het krijgt zijn bevestiging in het water waarin de acanthus zelf wortelt: de paradijsrivieren Pison, Gichon, Tigris en Eufraat. Aan dit paradijswater laven zich twee herten. De associatie met Psalm 42 ligt voor de hand, die met Openbaring 22:1 mogelijk nog meer: ‘Het water des levens, helder als kristal, ontsprong aan de troon van God en van het Lam’.
Aan de wortel van de acanthus, boven het blauw van het water, valt nog een ander hert te ontwaren. Het lijkt met zijn bek de kop aan te raken van een grote slang die als een lus om hem heen kringelt. Dat zal, meent het boekje dat men ter plaatse kan kopen, wel staan voor de gelovige, die het heilswater drinkt en zo alle verleidingen (van de slang) weet te weerstaan. Het klinkt vroom, maar ik geloof het toch niet. Eerder denk ik aan een blijkbaar oud motief, dat al in een preek van Augustinus over Psalm 42 voorkomt. Het hert doodt slangen, krijgt dan nog heviger dorst en reikhalst nóg meer naar de bron van het leven! <3>
Intussen zijn we zo weer bij de verticale as van het mozaïek. De levensboom van het kruis vormt het midden tussen Christus als lam Gods beneden en als tronende rechter der wereld boven, in het midden van de triomfboog. Direct daaronder proclameert het Christusmonogram hem als Alfa en Omega, steeds weer omringd door bloemen en groene bladeren. En dááronder verschijnt, uit de hemel der hemelen, door het wolkendek heen, Gods hand met wijdingskroon.

Triomfboog met geloofsgetuigen

Er zijn meer interessante details. Maar we moeten nodig gaan kijken naar de figuren op de triomfboog zelf, om het gewelfde mozaïek heen, en naar de vele teksten op het geheel. Ik ga weer van links, via boven, naar rechts.
Eerst de profeet Jesaja. Hij ontrolt de tekst uit zijn roepingsvisioen: ‘Ik zag de Levende, gezeten op een troon’, Jesaja 6:1. Let wel, hij verwijst naar wie zijn gezicht ook gericht is: de gekruisigde. Boven Jesaja zitten de apostel Paulus en de diaken Laurentius. Laatstgenoemde troont met zijn voeten op een rooster boven het vuur: dat herinnert aan zijn marteldood in 253 na Christus. Paulus onderwijst hem, zegt het onderschrift, over de nederigheid van het kruis voor wie tronen wil als een vorst!
Op gelijke hoogte aan de rechterkant onderwijst een andere apostel een andere martelaar. Nu is het Petrus, in gesprek met Clemens van Rome. Verwijzend naar het kruis, zegt Petrus: ‘Zie, Clemens, degene die ik jou toegezegd had’. Clemens heeft zijn voeten op een boot, in zijn linkerhand een anker. Het zinspeelt op zijn marteldood, rond 97 na Christus: hij werd aan een anker vastgebonden en in het water van de Zwarte Zee geworpen. Ook hier dus het motief van de heerschappij van de vernederde. Onder het bootje ontrolt op zijn beurt de profeet Jeremia een tekst: ‘Hij is onze God, niemand kan zich meten met hem’, Baruch 3:36. Net als Jesaja wijst ook Jeremia daarbij naar de gekruisigde in het midden.
Tussen deze allen staan op de bovenrand de vier evangelisten afgebeeld als de wezens die hen representeren: Marcus de leeuw, Matteüs de mens, Johannes de adelaar, Lucas het rund. De triomfboog met al deze geloofsgetuigen als een soort stripverhaal, bevat in grote letters deze tekst: ‘Glorie aan God in den hoge, zetelend op de troon, en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen’.

Die regeert vanaf het hout

Eén lange tekst heb ik nog overgeslagen: het onderschrift van het mozaïek zelf. De regels staan op een eigenaardige manier door elkaar. Vrij weergegeven staat er dit: ‘Wij vergelijken Christus’ kerk met deze wijnstok, die de Wet verdorren doet, maar het kruis laat bloeien. Een kruissplinter, een tand van Jacobus en een van Ignatius rusten in Christus’ lichaam boven de inscriptie’.
Het laatste betreft dus een paar relikwieën, die – ook zij – de gekruisigde sterk centraal stellen. Daarmee zijn we bij wat ik noemde ‘de theologie van het kruis’. Het is die van de verhoging van de Vernederde, omringd door bloedgetuigen, die heersen met hun martelwerktuig als de voetbank van hun voeten. Zo troont hier Jezus aan het kruis. De afbeelding is een indrukwekkende illustratie van wat in de hymne Vexilla regis prodeunt, Gezang 185 LvK, is verwoord. Op het hout van het kruis lijdt de Schepper zelf als een schepsel <4>. Maar dan:

Wat David in zijn vrome lied
voorspeld heeft, dat is nu geschied:
hij heeft de volkeren geleerd
dat God vanaf het hout regeert. <5>

Waar heeft David dit ons geleerd? In zijn psalmen uiteraard. Daarvoor verwees men al in een zeer vroeg stadium onder meer naar Psalm 1 (de rechtvaardige zal bloeien en groeien als een boom) en Psalm 96 (‘De Eeuwige regeert’, vanaf het hout, voegden sommige Griekse en Oudlatijnse vertalingen eraan toe). In preken refereerden kerkvaders daaraan. Onder hen ook Hiëronymus, die hier het laatste woord heeft: ‘U ziet (in Psalm 1) dat de rechtvaardige mens zal zijn als de boom die aan het water geplant is. Hij zal als Christus zijn, die het ons immers vergunt in de hemel te tronen en met hem heerschappij uit te oefenen’. <6>

Noten

  1. Deze werd als versieringsmotief ook vaak gebruikt in de kapitelen van Korinthische zuilen.
  2. Voor een uitwerking hiervan verwijs ik naar mijn Drama van crisis en hoop: de psalmen gedicht, gebundeld en gebeden, Zoetermeer 2008, 253-262.
  3. Zie M. Schrama (vert.), Zoals het hart verlangt: preken (van Augustinus) over de Psalmen, Zoetermeer 2001, 111.
  4. Latijn: ‘(crux) quo carne carnis conditor suspensus est patibulo’.
  5. Venantius Fortunatus (535-609); de knappe vertaling is van Jan Willem Schulte Nordholt.
  6. Zie Drama (noot 2), 228-231.

‘Interpretatie 17/5 (juli 2009)

Tags: , , ,