Auteur: Kees de Winter

Zoals zij kwam
met jaren veelbewogen
en zag haar nieuwe vaderland,
zo zag ik alles nieuw
met haar voor ogen.

Noömi is weer terug!
Een roep uit duizend monden.
Maar ik bracht enkel stilte voort.
Zwijgen moest ik
woord voor woord.
Werd zij tot mij gezonden?

Wat brengt nu toch mijn hoofd op hol?
Ik ben de oudste zoon.
Droom niet van ver weg en schoon,
de akker op, daar ligt je loon.
Mijn erfdeel verlaten?
Wie dat doen, zal ik haten!

Gezegende der vrouwen,
daar gaat zij op mijn akker.
‘De Heer zij met u’
en acht’loos tot mijn makker
‘Wie is die vrouw?’

Dreunende soldatenlaars van Moab in mijn ziel.
Was alle kracht bedrog in mij
dat ik voor deze viel?

Mijn lippen stamelend van God,
van schuilen in zijn schaduw.
Op eigen bodem
weerloos, naakt.
O maaier, die haar huid aanraakt!
Op ’t spel staat alles,
zeker.
Zij,
mijn ziel en zaligheid,
mijn erfdeel, mijn beker.

Zie Heer, hier ben ik,
de wan is in mijn hand.
Maar waarvan moet ík scheiden?
Van haar,
van U,
mijn land?

Zegen van brood
en uitgelezen wijnen.
Etend drink ik me teneer,
mijn hart nu niet onrustig meer,
de nacht zal wel verdwijnen.

Diep
de nacht
als zacht
een koele hartstocht
langs mijn hielen glijdt
zich aan mijn benen vlijt.
Adem omhoog,
hartslag dichtbij.
Stokt in mij.

Wie is daar?

Zij!

Zij
in ijle, tere pracht,
zij heeft niet aan zichzelf gedacht.
Nu zie ik haar,
nu zie ik pas
hoezeer zij mijn verwante was.

Blijf bij mij
en waak met mij
wij gaan niet aan elkaar voorbij.

Gezegende der vrouwen,
uit jou zal God zijn volk weer bouwen.
Hij heeft in jou de kiem gelegd.
Een kind,
een zoon,
een knecht.

Kees de Winter, december 2012